Strafrecht – Texeiro de Castro tegen Portugal, NJ 2001 471

  • Datum: 9 juni 1998

  • Rechtbankniveau: EHRM

  • Rechtsgebied: Strafrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6 EVRM

Casus

Vanwege een vermeende drugshandel werd er een onderzoek gestart. Daarbij werd verdachte benaderd door twee undercover agenten die hem geld boden voor drugs. De verdachte haalde vervolgens de drugs op bij zijn leverancier. Op het moment dat hij de drugs wilde overhandigen aan de undercover agenten, werd hij door hen in de boeien geslagen. Volgens verdachte was dit onterecht. Hij vond dat, doordat de agenten zich zo hadden opgesteld, hij door hen tot het plegen van dit delict zou zijn aangezet. De agenten hadden de grenzen van de wet niet in acht genomen. Het bewijs zou volgens de verdediging daarom onrechtmatig moeten worden verklaard. In cassatie voert verdachte dit dan ook aan, maar zijn cassatieberoep wordt verworpen. Uiteindelijk stapt verdachte met zijn klachten naar het EHRM. Hier voert hij aan dat, doordat de agenten zo hebben gehandeld, hij geen fair trial heeft gehad in de zin van art. 6 EVRM.

Rechtsvraag

Is het in overeenstemming met het EVRM als agenten undercover bij de verdachte geld bieden om drugs te verkrijgen, waarna, zodra verdachte deze opdracht heeft uitgevoerd, de verdachte hiervoor wordt veroordeeld?

Lagere rechters

De lagere rechters bogen zich in het onderhavige geval over de materiële kwestie van het geding. Verdachte heeft zijn procedure gevoerd tot aan een beroep in cassatie. Dit beroep werd echter verworpen. De nationale rechters in onderhavige zaak oordeelden dat de agenten niet buiten de grenzen van de wet waren getreden door te handelen zoals zij deden. De veroordeling van verdachte was het gevolg hiervan.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Het EHRM overweegt dat er geen omstandigheden zijn waaruit blijkt dat verdachte ook tot het begaan van het delict over zou zijn gegaan als de politieagenten hem niet op dusdanige wijze hadden benaderd. Daarom komt het EHRM dan ook tot de conclusie dat er sprake is van het uitlokken van het delict. Doordat de agenten zich als normale burgers hadden voorgedaan en een grote hoeveelheid geld boden om aan de drugs te komen, werd verdachte ertoe uitgelokt om een strafbaar feit te plegen. Dit betekent dat verdachte vanaf het begin af aan geen fair trial heeft gehad als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat verdachte werd vervolgens veroordeeld voor een gevangenisstraf van zes jaren, had dus niet mogen gebeuren. Het EHRM komt tot de conclusie dat er sprake is van schending van art. 6 EVRM.