Strafrecht – Schatschaswili tegen Duitsland ECLI:CE:ECHR:2015:1215JUD000915410

  • Datum: 15 december 2015

  • Rechtbankniveau: EHRM, Grote Kamer

  • Rechtsgebied: Strafrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Op 15 december 2015 is door het EHRM een overzichtsarrest gewezen waarin de tot dan toe versnipperde rechtspraak op het gebied van de oproeping van getuigen wordt samengevoegd en nader wordt geduid.

Rechtsvraag

Op welke manier kan de tot dusverre versnipperde rechtspraak wat betreft de oproeping van getuigen worden uitgelegd?

EHRM

Het EHRM heeft als uitgangspunt genomen dat al het bewijs tegen een verdachte in zijn bijzijn tijdens een publieke hoorzitting naar voren moet worden gebracht.
In deze uitspraak worden die drie vragen (door het EHRM steps genoemd) nader onder de loep genomen. Aangegeven wordt dat en hoe die vragen onderling met elkaar in verbinding staan.

Ten aanzien van de eerste vraag, de vraag of een goede reden is voor het feit dat de getuige niet ter zitting is verschenen en, in verband daarmee, voor het gebruik van de verklaring van de niet-verschenen getuige voor het bewijs, overweegt het EHRM dat goede redenen kunnen bestaan voor het niet (kunnen) oproepen van een getuige, zoals de dood van de getuige, diens angst om te komen getuigen, gezondheidsredenen of onbereikbaarheid.
Het enkele ontbreken van dergelijke redenen is evenwel niet doorslaggevend voor de conclusie dat er geen sprake (meer) is van een fair trial.

Bij de beantwoording van de tweede vraag, de vraag of het bewijs van de afwezige getuige het enige of doorslaggevende bewijs is voor de veroordeling, geeft het EHRM een invulling van de criteria ‘sole’ en ‘decisive’. Het EHRM merkt daarbij op dat het feit dat het niet nader getoetste bewijs ‘sole’ noch ‘decisive’ is, niet betekent dat beoordeling daarvan in het kader van de fairness van de gehele procedure achterwege mag blijven. Ook dan moet het belang van het bewijs voor de veroordeling worden afgezet tegen de aanwezigheid van compenserende factoren en geldt dat hoe belangrijker dat bewijs is, hoe meer gewicht toekomt aan het antwoord op de vraag of er voldoende compenserende factoren waren.

De derde vraag, de vraag naar de counterbalancing factors, staat in het teken van de vaststelling van de betrouwbaarheid van dat bewijs. Voorzichtigheid bij het gebruik van dat bewijs is een belangrijke waarborg en compenserende factor in dat verband. Daarbij is van belang of de rechter er in zijn uitspraak blijk van heeft gegeven zich ervan bewust te zijn dat aan het bewijs op basis van de verklaring(en) van de afwezige getuige als gevolg van die afwezigheid minder gewicht toekomt en of hij of zij nader heeft gemotiveerd waarom het bewijs in casu betrouwbaar kan worden geoordeeld.