Strafrecht – Blind in de gevangenis, NJ 2003 86

  • Datum: 26 december 2002

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Strafrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

In deze casus was verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, waarvan één voorwaardelijk. De feiten waarvoor verdachte werd veroordeeld waren verkrachting, ontuchtpleging met een hem toevertrouwde minderjarige en ontuchtpleging met zijn minderjarige stiefkind. Voor een deel van de ten laste gelegde feiten werd verdachte in hoger beroep echter vrijgesproken. Toch besloot verdachte in cassatie te gaan. Hij voerde hier namelijk het verweer dat het hof niet, of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, in was gegaan op zijn verweer dat hij geschikt zou zijn om detentie te ondergaan. Verdachte was namelijk onherroepelijk blind. Een blindengeleidehond zou in detentie niet mee kunnen worden genomen waardoor verdachte geheel op zichzelf aangewezen zou zijn in de gevangenis. In hoger beroep zegt het hof echter dat, vanwege de ernst van de feiten, er niet kan worden volstaan met een straf op te leggen anders dan een gevangenisstraf en gaat dus toch tot een veroordeling in de vorm van detentie over.

Rechtsvraag

Dient de rechter zijn oordeel omtrent het verweer van verdachte in zijn uitspraak te verantwoorden, dat ziet op eventuele detentieongeschiktheid van de verdachte wegens blindheid?

Lagere rechters

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep was verdachte veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één voorwaardelijk. De raadsman van verdachte had hier reeds aangevoerd dat verdachte detentieongeschikt zou zijn vanwege zijn blindheid. Beide feitenrechters vonden dit geen reden om tot een andersoortige straf over te gaan.

Hoge Raad

De Hoge Raad is het eens met de klachten van de verdediging. Door het hof in hoger beroep was weliswaar gekeken naar het leed dat de slachtoffers werd aangedaan, het ernstige misbruik dat verdachte had gemaakt van minderjarigen die hun vertrouwen in hem hadden gesteld, het feit dat verdachte gedurende langere periodes de strafbare feiten veelvuldig had gepleegd, dat de minderjarigen in verhouding tot hem weinig weerbaar waren en dat verdachte bovendien goed bewust was van zijn gedragingen, maar er was door de rechter geen verantwoording afgelegd over het oordeel dat de verdachte wel degelijk in staat zou zijn om een gevangenisstraf te ondergaan. Om deze redenen is de Hoge Raad dan ook tot de conclusie dat de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en dat het middel dus terecht is voorgesteld. De uitspraak van het hof wordt vernietigd en de HR verwijst de zaak naar een ander gerechtshof.