Privaatrecht – Zwiepende Tak ECLI:NL:HR:1994:ZC1576

  • Datum: 9 december 1994

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Artikel 6:162 BW

Casus

In september 1989 gingen vier vrienden van 17/18 jaar een dagje uit. Aan het begin van de avond, omstreeks 20:00 uur, besluiten ze een boswandeling te maken in de omgeving van Slagharen. Ze moeten zich een baan door het bos zien te wanen, waarbij soms ook in de weg hangende takken aan de kant moeten worden gedrukt. Voorop loopt Werink, de oudste van de vier vrienden. Achter hem loopt Hudepohl. In een poging de weg voor hemzelf en de rest vrij te maken schopt Werink tegen een tak aan. Het gevolg van zijn schop tegen de tak is echter dat deze weer terug zwiept, waarna de tak in het rechteroog van Hudepohl terechtkomt. Aan het oog van Hudepohl ontstaat letsel waardoor hij zijn oog verliest. Hudepohl vindt dat Werink op deze manier onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat Werink de schade die is ontstaan door het schoppen tegen de tak dient te vergoeden.

Rechtsvraag

Is het door Werink schoppen tegen een tak in het bos, die vervolgens terug zwiept en letsel veroorzaakt aan het rechteroog van Hudepohl aan te merken als een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW?

Lagere rechters

In eerste aanleg overweegt de rechtbank dat bij een boswandeling zoals in het onderhavige geval elk van de vrienden er op bedacht moet zijn dat de gedragingen van anderen in beginsel een gevaar zouden kunnen opleveren. De gedraging van Werink is een voorbeeld van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, die niet als gevolg heeft dat deze gedraging als onzorgvuldig is aan te merken in de zin van art. 6:162 BW. De rechtbank wijst de vordering dus af. In tegenstelling hierop wijst het hof in hoger beroep de vordering wel toe. Werink heeft zonder echte noodzaak tegen de tak aangeschopt. Ondanks dat hij geen opzet had op het toebrengen van letsel bij Hudepohl, is volgens het hof wel degelijk sprake van onzorgvuldig en dus onrechtmatig handelen. Werink had zich moeten realiseren dat de tak terug kon zwiepen en zo verwondingen kon veroorzaken.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is als de mate van waarschijnlijkheid dat er een ongeval zal ontstaan zo groot is, dat de dader zich van dat gedrag had moeten onthouden gezien de maatstaven van zorgvuldigheid en betamelijkheid. Volgens de Hoge Raad had het hof in hoger beroep ten onrechte in het midden gelaten hoe het schoppen tegen een tak een reëel en voorzienbaar gevaar voor oogletsel schept. Het hof heeft weliswaar gezegd dat Werink zich bewust had moeten zijn van de kans dat de tak terug zou zwiepen en iemand zou kunnen verwonden, maar niet is onderzocht of de kans dat de tak als gevolg van de door Werink gegeven schop schade bij Hudepohl zou kunnen toebrengen zo groot was dat Werink zich van dit gedrag had behoren te onthouden. De Hoge Raad komt in casu tot de conclusie dat er geen sprake was van een onrechtmatige daad, maar dat er slechts sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De Hoge Raad oordeelt hier dus dat het feit van een (directe) rechtsinbreuk zelf onvoldoende is om onrechtmatigheid te mogen aannemen behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.