Privaatrecht – Wilnis ECLI:NL:HR:2010:BN6236

  • Datum: 17 december 2010

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:174 BW

Casus

Het Hoogheemraadschap gaat over de waterkundige verzorging van delen van de provincies Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland. Het Hoogheemraadschap is bovendien de eigenaar en tevens beheerder van een tussenboezemkade in een plaatsje genaamd Wilnis. Deze kade is een zogeheten secundaire, regionale waterkering, waarvoor er geen specifieke veiligheidsnormen gelden. Op den duur is de kade verschoven in de richting van een achterliggende woonwijk, waardoor water de woonwijk instroomde. De gemeente vordert hierop schadevergoeding van het Hoogheemraadschap voor de schade die door de kadeverschuiving is ontstaan.

De schadevergoeding baseert de gemeente op art. 6:174 BW, waartoe zij aanvoert dat de verschuiving heeft plaatsgevonden door een gebrek van de kade, waarvoor het Hoogheemraadschap aansprakelijk is in zijn hoedanigheid van bezitter. Volgens het Hoogheemraadschap kan de kade echter niet als opstal in de zin van art. 6:174 BW aangemerkt worden en kan het Hoogheemraadschap bovendien niet aansprakelijk worden gehouden voor de kade, nu zij niet de bezitter ervan, maar alleen de eigenaar en beheerder is. Tevens voert het Hoogheemraadschap aan dat de kade niet gebrekkig was omdat zij voldeed aan de eisen die men daaraan mocht stellen in de gegeven omstandigheden. De kadeverschuiving zou zijn veroorzaakt door omstandigheden die niet werden aangemerkt als risicofactoren en is dus niet ontstaan door nalatigheid van het Hoogheemraadschap.

Rechtsvraag

Is het Hoogheemraadschap aansprakelijk op grond van art. 6:174 BW voor de schade die is ontstaan als gevolg van de kadeverschuiving van de haar in eigendom toekomende tussenboezemkade?

Lagere rechters

Door de rechtbank is de vordering van de gemeente afgewezen. Het hof achtte het Hoogheemraadschap echter wel aansprakelijk op grond van art. 6:174 BW en wees de vordering alsnog toe.

Hoge Raad

De Hoge Raad begint met de overweging dat het Hoogheemraadschap als eigenaar en beheerder van de kade, ook bezitter van de kade is. Wat betreft het begrip ‘opstal’, overweegt de Hoge Raad als volgt: ‘’blijkens de parlementaire geschiedenis dient het begrip ruim te worden geïnterpreteerd’’. Hieruit vloeit voort dat het hierbij gaat om bouwwerken die duurzaam met de grond zijn verenigd.
Dit vereist dus ook menselijk ingrijpen. De mate waarin of de wijze waarop het menselijke ingrijpen hieraan bij heeft gedragen, kan niet van te voren worden bepaald en is afhankelijk van het soort werk. Dat het hof heeft geoordeeld dat het hier wel degelijk gaat om een opstal, doordat het dijklichaam is ontstaan door uitgraving en drooglegging en gevormd is naar de inzichten in waterkeringen, is daarom ook juist. Kijkend naar de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid aan de desbetreffende opstal mag stellen overweegt de Hoge Raad dat hierbij zowel gedragsnormen als veiligheidsvoorschriften en in het algemeen aan een bezitter te stellen zorgvuldigheidsnormen gelden. Het komt er hierbij volgens de Hoge Raad vooral op aan of de opstal, gelet op het gebruik of de bestemming ervan, deugdelijk is. In het onderhavige geval dient er in dit kader rekening te worden gehouden met de aard en bestemming van de kade, de waarborgfunctie van de veendijk, de fysieke toestand van de kade, de kenbaarheid van het gebrek en het daaraan verbonden gevaar van kadeverschuiving.
Ook moet er rekening worden gehouden met de mate van beleidsvrijheid die het Hoogheemraadschap toekomt, de financiële middelen, de stand van de wetenschap en techniek en de mogelijkheid tot het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen.