Privaatrecht – Waterscooter ECLI:NL:HR:2013:CA3751

  • Datum: 4 oktober 2013

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:101 lid 1 BW

Casus

Deze casus deed zich voor in Curaçao, waar het gewoonlijk is voor toeristen om aldaar te snorkelen of op een waterscooter over het water te gaan. Deze twee verschillende activiteiten kunnen echter gevaarlijke situaties met zich meebrengen, zoals in deze zaak. Hier was namelijk sprake van een aanvaring tussen een snorkelaar en een waterscooter, waardoor de snorkelaar ernstige schade. Opmerkelijk in dit geval was echter, dat degene die de waterscooter bestuurde een jongen was van dertien jaar. Hij was op vakantie in Curaçao waar hij bij zijn oom logeerde, die in het bezit was van een waterscooter en deze aan de jongen uitleende. De snorkelaar stelde daarom zowel de jongen als zijn oom én zijn ouders hoofdelijk aansprakelijk voor de door hem geleden schade. De vraag is echter of de jongen, gezien zijn leeftijd, wel aangesproken kan worden voor zijn onrechtmatige daad. Daarnaast beroepen zijn ouders zich op eigen schuld aan de kant van de snorkelaar. Volgens hen had de snorkelaar rekening moeten houden met de mogelijkheid van vaarverkeer op de drukke toeristenplek.

Rechtsvraag

Kan de snorkelaar de jongen, zijn ouders en zijn oom met succes aansprakelijk stellen voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de aanvaring met de waterscooter?

Lagere rechters

In eerste aanleg werden de vorderingen van de snorkelaar toegewezen, maar in hoger beroep werd het vonnis van de rechtbank vernietigd. Volgens het hof was het namelijk inderdaad zo dat de onrechtmatige daad de bestuurder niet aan te rekenen viel, wegens zijn jonge leeftijd. Wel kon de snorkelaar de schade verhalen op de ouders van de jongen. Het hof kende daarnaast ook het beroep op eigen schuld van de ouders toe, omdat het inderdaad om een drukke toeristenplek ging waar veel waterscooters varen. De snorkelaar had dus rekening moet houden met de kans op aanvaring door één van de waterscooters. Daarom kwam het hof in hoger beroep tot de conclusie dat de ouders van de jongen voor 50% aansprakelijk waren voor de schade, wat het hof baseert op de billijkheidscorrectie uit art. 6:101 lid 1 BW. Beide feitenrechters achtten de oom van de jongen niet aansprakelijk.

Hoge Raad

De snorkelaar is het niet met de uitspraak van het hof eens en is daarom in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. Aldaar stelt de snorkelaar zich op het standpunt dat zowel de jongen als zijn ouders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige schade. Het beroep van de snorkelaar richt zich dus tegen de jongen. Om deze reden verklaart de Hoge Raad het beroep van de snorkelaar echter niet-ontvankelijk, omdat de jongen niet in hoger beroep als partij was opgetreden.

Verder overweegt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat van een snorkelaar verwacht mag worden dat hij voorzichtig is als hij gaat snorkelen op een plek waar veel waterscooters varen, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Wel heeft het hof de billijkheidscorrectie onjuist toegepast en ontoereikend gemotiveerd, nu zij heeft nagelaten te onderzoeken of er in het onderhavige geval sprake was van één van de gronden waarop de billijkheidscorrectie kan worden gebaseerd.

De omstandigheden waaronder: de ernst van de gevaarzetting door de waterscooter, de waarschijnlijkheid dat ter plaatse zwemmers, snorkelaars en duikers zouden worden aangetroffen, hun bijzondere kwetsbaarheid ten opzichte van de waterscooter, de betrekkelijk eenvoudige wijze waarop de bestuurder van de waterscooter dat gevaar had kunnen voorkomen en de ernstige gevolgen die het ongeval heeft gehad – kunnen meebrengen dat de billijkheid vereist dat een andere verdeling van de schade plaatsvindt dan in evenredigheid met de mate waarin de aan snorkelaar respectievelijk de zoon toe te rekenen omstandigheden daartoe hebben bijgedragen.