Privaatrecht – Vie d’Or ECLI:NL:HR:2006:AW2080

  • Datum: 13 oktober 2006

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

In deze casus ging het om een geschil tussen een verzekeringskamer (de DNB) en een stichting voor levensverzekeringen, Vie d’Or. Binnen enkele jaren na oprichting gaat Vie d’Or failliet. Kort na de benoeming van een stille bewindvoerder, wordt echter de noodregeling uitgesproken, waardoor de toezichthouder gemachtigd wordt om het vermogen van Vie d’Or te vereffenen en over te dragen. Zo ook werden de verplichtingen van Vie d’Or jegens haar polishouders overgedragen op een andere verzekeringsmaatschappij. Gevolg hiervan was echter dat de polishouders schade oplopen, doordat zij kortingen die zij bij Vie d’Or kregen weg moesten laten vallen. De polishouders wilden deze schade verhaald zien op de actuaris en accountants van Vie d’Or en op toezichthouder DNB op grond van onrechtmatige daad, doordat zij de schadelijke gevolgen die voor hen konden ontstaan niet in acht hebben genomen bij het vereffenen en overdragen van het vermogen van Vie d’Or.

Rechtsvraag

Kunnen de polishouders de geleden schade verhalen op de actuaris en accountants van Vie d’Or en op de toezichthouder, namelijk de DNB?

Lagere rechters

De lagere rechters kwamen tot aansprakelijkheid van de actuaris en de accountants vanwege het tekortschieten bij het vervullen van hun taken bij Vie d’Or. Ten aanzien van de aansprakelijkheid voor DNB toetste de rechtbank echter terughoudender dan het hof deed in hoger beroep.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt een brede reikwijdte van de aansprakelijkheid van de accountant en actuaris voorop. Deze aansprakelijkheid geldt ook jegens derden (individuele vermogensbelangen van polishouders) en niet alleen jegens de rechtspersoon bij wie zij in dienst zijn. De lagere rechters hadden volgens de Hoge Raad een verkeerd aansprakelijkheidscriterium toegepast. Ten aanzien van de aansprakelijkheid voor toezichthouder DNB overwoog de Hoge Raad dat het er om gaat of het toezicht houden heeft voldaan aan de eisen van een behoorlijk en zorgvuldig toezicht. De lagere rechters hadden hier de norm betreffende een ‘redelijk handelende en bekwame toezichthouder’ gebruikt, dus ook hier was er een verkeerd criterium gebruikt.

Annotatie

Bij dit arrest is vooral de annotatie van belang. Door de lagere rechters en de Hoge Raad worden verschillende aansprakelijkheidsnormen toegepast. Volgens de annotator hebben aansprakelijkheidsnormen slechts een betrekkelijke waarde. Zo kan eenzelfde norm leiden tot verschillende uitkomsten, maar kunnen verschillende normen leiden tot dezelfde uitkomst. Door de annotator wordt dus niet veel waarde gehecht aan welke aansprakelijkheidsnorm er wordt toegepast. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, omdat zij niet de mate van terughoudendheid had betracht bij het toetsen van de aansprakelijkheid van de toezichthouder, zoals wel is vereist als het gaat om overheidsoptreden. Volgens de annotator liggen de tijden van puur marginale toetsing van overheidsgedrag echter in het verleden.

Het gedrag van een overheidslichaam dient volledig te worden getoetst. Beleids- en beoordelingsvrijheid kunnen namelijk nooit een rechtvaardiging zijn om mensenrechten en algemene beginselen van behoorlijk bestuur te omzeilen. In het verlengde hiervan liggen de grenzen van de beleids- en beoordelingsvrijheid voor een toezichthouder daar waar de risico’s te groot zijn om ze op hun beloop te laten.
Zodra de toezichthouder weet heeft van een riskante situatie, is hij verplicht om maatregelen te nemen. Doet hij dit niet, dan kan hem in beginsel verweten worden dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Daarbij komt dat de polishouders in beginsel een bepaalbare groep van benadeelden vormen.