Privaatrecht – Uitleg en reikwijdte schriftelijkheidseis ECLI:NL:HR:2017:364

  • Datum: 3 maart 2017

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 7:653 BW

Casus

In deze zaak vordert een adviesbureau drie ton boete van een voormalige werknemer. Deze belastingadviseur was zijn eigen onderneming begonnen nadat hij ontslag had genomen bij het adviesbureau. Volgens het adviesbureau heeft de belastingadviseur het tussen hen overeengekomen relatiebeding geschonden. De belastingadviseur voert aan dat het beding niet schriftelijk is overeengekomen en derhalve niet kan worden tegengeworpen, omdat hij het personeelsreglement niet vóór of bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst had ontvangen.

Rechtsvraag

Is het in het Philips/Oostendorp-arrest geformuleerde toetsingskader voor de schriftelijkheidseis van art. 7:653 BW ook van toepassing op een relatiebeding?

Lagere rechters

De kantonrechter oordeelde dat in deze zaak is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Het adviesbureau voldoet aan de bewijslast door een arbeidsovereenkomst te overleggen. Dit levert dwingend bewijs daarvan op (art. 157 lid 2 Rv). X is niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Uiteindelijk komt het Hof tot de conclusie dat X wel geslaagd is in het leveren van tegenbewijs. X wijst er terecht op dat uit de getuigenverklaringen niet blijkt dat het personeelsreglement hem in samenhang met de arbeidsovereenkomst ter beschikking is gesteld. Nu X ook niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij met het concurrentiebeding instemt, is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:653 BW. Daarmee heeft X het dwingend bewijs door tegenbewijs ontzenuwd voor zover in art. 8 van de arbeidsovereenkomst wordt verwezen naar bijgevoegde arbeidsvoorwaarden. Het hof vernietigt in zijn eindarrest de vonnissen van de kantonrechter wijst de vordering van het adviesbureau af.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat art. 7:653 BW ook van toepassing is op een relatiebeding zoals in deze zaak aan de orde is. Dat betekent dat het in het Philips/Oostendorp-arrest geformuleerde toetsingskader voor de schriftelijkheidseis van art. 7:653 BW hier ook van toepassing is. Het cassatiemiddel betoogt dat aan deze eis is voldaan, omdat het personeelsreglement in samenhang met de arbeidsovereenkomst aan X ter beschikking is gesteld. Eind 2001 is het personeelsreglement namelijk persoonlijk aan de medewerkers overhandigd of in hun postvakjes gelegd. Daarnaast is over de inhoud van het personeelsreglement, vóór de invoering ervan, met X gesproken is en zou X in ieder geval in januari 2002 over de tekst van het personeelsreglement beschikt hebben.

De Hoge Raad oordeelt dat hiermee niet is voldaan aan de uitleg van het schriftelijkheidsvereiste in het Philips/Oostendorp-arrest. De eisen uit dat arrest moeten strikt worden uitgelegd.