Privaatrecht – Staat/ Van Galen ECLI:NL:HR:2004:AO1338

  • Datum: 5 maart 2004

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 141 lid 2 Rv

Feiten

Mevrouw Van Galen is getrouwd met Tuinenberg in gemeenschap van goederen. De fiscus legt hem een aanslag op van € 500.000. Later wordt Tuinenberg failliet verklaard. De fiscus komt terug op de aanslag en meent dat er teveel belasting is opgelegd. Mevrouw Van Galen is inmiddels gescheiden van Tuinenberg en vordert geld van de fiscus, omdat zij schade heeft geleden door de te hoge vordering. De Staat dient een conclusie van antwoord in en later in de procedure komt de Staat met een conclusie van dupliek waarin de Staat stelt dat als er al een vordering is, niet mevrouw Van Galen deze had moeten instellen, maar de curator van Tuinenberg.

Rechtsregel

Mag de rechter nog over dit verweer oordelen of had de Staat dit argument eerder moeten inbrengen? Kan het verweer van de Staat hier als een exceptief verweer zoals bedoeld in art. 141 lid 2 RV worden aangemerkt?

Hoge Raad

De meerderheid van de verweermiddelen van de gedaagde worden tegenwoordig tot de verweermiddelen ten principale gerekend, zodat het terrein van de exceptieve verweermiddelen beperkt is. Alleen worden als exceptief beschouwd de verweermiddelen die ertoe strekken dat de rechter op grond van regels van zuiver processuele aard niet tot een inhoudelijke beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil kan komen. Het verweer van de Staat dat vordering niet door Van Galen maar door de curator had moeten worden ingesteld, stelt de vraag aan de orde of de door Van Galen ingestelde vordering tot de failliete boedel behoorde.

Die regel stelt niet een processuele vraag aan de orde, maar de in het geding zijnde rechtsbetrekking zelf nu het antwoord hierop beslissend is of die vordering al dan niet deel uitmaakte van de tussen Tuinenburg en Van Galen bestaande huwelijksgemeenschap, zoals de Staat had gesteld en de rechtbank had aangenomen. Het verweer behoort dus niet tot de in art. 141 lid 2 Rv genoemde excepties. Het is een principaal verweer en deze kunnen op ieder moment worden gevoerd, mits de gedaagde in de conclusie van antwoord ten minste één principaal verweer heeft gevoerd.