Privaatrecht – New Hairstyle ECLI:NL:HR:2017:1187

  • Datum: 30 juni 2017

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Op 1 juli 2015 is het nieuwe ontslagrecht ingegaan in het kader van de Wet werk en zekerheid (WWZ). Het uitgangspunt in de WWZ is dat de werknemer bij (onvrijwillige) beëindiging van het dienstverband alleen recht heeft op een transitievergoeding (ontslagvergoeding). Als er sprake is van ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten’ van de werkgever kan de werknemer naast een transitievergoeding een billijke vergoeding krijgen. Daarvoor moet de werknemer naar de rechter. Hoe de rechter de hoogte van die billijke vergoeding moet bepalen, staat niet in de WWZ.

De kapster werkte 1 middag in de week bij kapsalon New Hairstyle. In 2013 kreeg de kapsalon nieuwe eigenaars. Die maakten na enige tijd duidelijk niet met de werkneemster verder te willen. Hun voorstel om met een beëindigingsovereenkomst uit elkaar te gaan, accepteerde de kapster niet. Daarna vroegen zij – zonder succes – het UWV om toestemming voor een ontslag op bedrijfseconomische gronden. Vervolgens ontstond er een conflict over verlofdagen. De kapster kreeg geen toestemming om vrij te nemen. Toen zij toch op vakantie ging en op 3 augustus 2015 niet op haar werk verscheen, werd zij de volgende dag ontslagen per 1 december 2015. De kapster was het hier niet mee eens en stapte naar de kantonrechter in Amersfoort.

Rechtsvraag

Hoe moet de hoogte van de billijke vergoeding in de zin van de WWZ bepaald worden?

Rechtbank

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag in strijd met de geldende voorschriften was gegeven. Daarom had New Hairstyle op grond van de WWZ ‘ernstig verwijtbaar gehandeld’. De kantonrechter bepaalde dat de kapster recht had op een billijke vergoeding van € 4.000 bruto. De kapster was het niet eens met de hoogte van dat bedrag en ging in hoger beroep.

Gerechtshof

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter. Volgens dit Hof moest de hoogte van de billijke vergoeding een ‘punitief’ en afschrikwekkend karakter hebben. De kapster stelde cassatie in.

Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Volgens de Hoge Raad is het niet zo dat de billijke vergoeding een punitief en afschrikwekkend karakter moet hebben. De rechter moet de billijke vergoeding bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Daar heeft de Hoge Raad ook een nadere uitleg van gegeven. De zaak is vervolgens verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om de hoogte van de billijke vergoeding opnieuw vast te stellen. Met deze uitspraak heeft de Hoge Raad voor het eerst sinds de invoering van de WWZ een oordeel gegeven over de manier waarop de hoogte van de billijke vergoeding moet worden bepaald.

Nieuwe beoordeling Gerechtshof

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft alle omstandigheden die van belang zijn bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding uitvoering geanalyseerd. Daarbij is het hof onder andere ingegaan op de invloed van de transitievergoeding, een WW-uitkering en andere feitelijke inkomsten. Ook de financiële schade van de opzegging voor de kapster is aan de orde gekomen. Als het hof alles tegen elkaar afweegt, komt het, net zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, tot het oordeel dat de door de kantonrechter bepaalde € 4.000,- aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van deze zaak.