Privaatrecht – Loretta ECLI:NL:HR:2011:BP1475

  • Datum: 1 april 2011

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:179 en 6:181 BW

Casus

In deze casus ging het om een paard, Loretta genaamd. Dit paard werd, tegen betaling, in een manege ondergebracht ter belering. Dit betekent dat Loretta getraind zou worden door de werkzame personen bij de manege, alsmede zou worden afgericht en zadelmak zou worden gemaakt zodat er voortaan op het paard Loretta gereden kon worden. Eén van de werknemers van de manege waar het paard werd ondergebracht, nam deze taak op zich. Na de training was het gebruikelijk om de paarden een stukje uit te laten lopen, wat Loretta dan ook deed in de bak. Hierbij nam de trainster het zadel en alle andere materialen van het paard af. Eén van de vaak aanwezige personen bij de manege, een meisje van 10 dat daar paardrijlessen volgde, liep vervolgens de bak in. Nadat zij achter het paard Loretta langs liep, kreeg het meisje een harde trap in het gezicht. Hierdoor liep zij letselschade op. De ouders van het meisje willen de eigenaar van het paard aansprakelijk stellen wegens diens hoedanigheid van bezitter. Volgens de eigenaar berust de aansprakelijkheid in het onderhavige geval echter op de manege en is niet art. 6:179 BW, maar art. 6:181 BW van toepassing.

Rechtsvraag

Is de eigenaar van het paard aansprakelijk voor de schade van het 10-jarige meisje op grond van art. 6:179 BW of is de manege aansprakelijk op grond van art. 6:181 BW?

Lagere rechters

Zowel de rechtbank in eerste aanleg als het hof in hoger beroep oordeelden dat de manege aansprakelijk was voor de schade van het meisje op grond van art. 6:181 BW.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is op grond van art. 6:179 BW in beginsel de bezitter van een dier aansprakelijk voor de schade die door dit dier wordt veroorzaakt. Zodra het dier echter wordt gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van iemand anders, dan rust de risicoaansprakelijkheid niet op de bezitter ingevolge art. 6:179 BW, maar op de beoefenaar van het bedrijf. Hierbij geeft de Hoge Raad een ruime strekking aan het bedrijfsmatig gebruik, die overeenkomt met begrippen als houden, beheren en feitelijk controleren. Voor de beantwoording van de vraag op wie de risicoaansprakelijkheid voor schade toegebracht door een dier rust, is niet van belang of er op een partij een gewone aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad rust of de bedrijfsmatig gebruiker de houder dan wel bezitter van het dier is of het doel waartoe het dier gebruikt wordt bijna bereikt is noch of het dier duurzaam ten eigen nutte wordt gebruikt.
Volgens de Hoge Raad heeft dit te maken met het feit dat de benadeelde niet moet worden belast met de kwestie van het vinden van de bezitter van het dier, maar zijn schade kan verhalen op de beoefenaar van het bedrijf waar het dier wordt gebruikt. Een andere gedachte die hieraan ten grondslag ligt, is dat ervan uit kan worden gegaan dat een onderneming zijn bedrijfsrisico als één risico verzekert en zich dus ook verzekert tegen schade dat door het dier kan worden veroorzaakt dat gebruikt wordt in de uitoefening van zijn bedrijf. Het gaat er niet om of het bedrijf dat het dier gebruikt bij haar uitoefening aansprakelijkheid erkent of daarmee instemt. Deze aansprakelijkheid berust immers op de wet. De Hoge Raad komt dus tot de conclusie dat de manege in dit geval aansprakelijk is voor vergoeding van de schade zoals door het meisje is geleden.