Privaatrecht – Kummeling/Oskam ECLI:NL:HR:2011:BQ8134

  • Datum: 30 september 2011

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 7:629 lid 1 BW

Casus

Eiser tot cassatie (werknemer) heeft met verweerster in cassatie (werkgever) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Werknemer is in juni 1998 arbeidsongeschikt geworden en heeft zijn werk in maart 1999 in de vorm van passend geachte werkzaamheden hervat. Per 21 juni 1999 is hem een WAO-uitkering voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid toegekend. Doordat zijn klachten verergeren heeft de werknemer in overleg met de werkgever vanaf medio oktober 2002 halve dagen gewerkt. Enige tijd daarna hebben partijen afspraken gemaakt over de door werknemer te verrichten werkzaamheden. In april 2003 is daarvan een taakomschrijving opgesteld. Sedert medio mei 2009 heeft de werknemer niet meer voor zijn werkgever gewerkt. De werkgever heeft de werknemer meegedeeld dat de loonbetaling vanaf mei 2009 wordt gestaakt wegens ongeoorloofde afwezigheid.

Rechtsvraag

Is er bij passende arbeid in het kader van de re-integratie een plicht tot doorbetaling van het loon?

Lagere rechters

Werknemer heeft in kort geding loondoorbetaling gevorderd. Het hof heeft de vordering afgewezen, omdat op basis van de stellingen van partijen onvoldoende vast staat dat de door X als passende werkzaamheden verrichte arbeid de bedongen arbeid is geworden.

Hoge Raad

Het wettelijke stelsel houdt in dat de werkgever in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer enerzijds gehouden is gedurende 104 weken het vastgestelde loon zoals bepaald in art. 7:629 lid 1 BW te betalen, en anderzijds gedurende die periode de re-integratie van zijn werknemer te bevorderen (art. 7:658a BW). Dit stelsel brengt mee dat, indien de werknemer als gevolg van de re-integratie andere (passende) werkzaamheden is gaan verrichten, zonder dat de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden, en hij na afloop van de periode van 104 weken opnieuw door ziekte uitvalt, de werkgever niet gehouden is (wederom) het loon door te betalen. Ook art. 6:248 lid 1 brengt dat niet mee. Hierdoor heeft het betoog van de werknemer geen succes. Daarbij moet opgemerkt worden dat het hof (in cassatie onbestreden) heeft vastgesteld dat tussen partijen niet (expliciet) is overeengekomen dat de door werknemer verrichte passende arbeid als bedongen arbeid is gaan gelden en dat werknemer ook niet erop heeft mogen vertrouwen dat dit het geval was.