Privaatrecht – Des-dochters ECLI:NL:HR:1992:ZC0706

  • Datum: 9 oktober 1992

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Deze casus is een spraakmakende zaak uit de vorige eeuw. Het ging hier om een aantal vrouwen dat op een bepaalde leeftijd klachten begon te ondervinden aan de voortplantingsorganen. Deze klachten betroffen vooral zeer ernstige ziektes en problemen, die uiteenliepen van onvruchtbaarheid tot kanker. Al deze vrouwen hadden één ding met elkaar gemeen: hun moeders hadden tijdens de zwangerschap het medicijn DES geslikt, dat bedoeld was om miskramen te voorkomen. Om deze reden besluiten de dochters dan ook de farmaceutische bedrijven die deze medicijnen op de markt hebben gebracht aan te spreken voor de enorme schade die zij hierdoor hebben geleden. Omdat een groot aantal van deze bedrijven ten tijde van het instellen van deze vordering al niet meer bestond, besloten zij het tiental bedrijven dat nog wel bestond aan te spreken voor de schade. Deze farmaceutische bedrijven stellen zich echter op het standpunt dat, omdat het al zo lang geleden is (de vrouwen zijn inmiddels volwassen), er niet meer achterhaald kan worden dat het DES-medicijn deze schade heeft veroorzaakt. Volgens de farmaceutische bedrijven zijn zij dus niet aansprakelijk voor de geleden schade wegens het ontbreken van de vereiste causaliteit. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat, mocht er wel aansprakelijkheid worden aangenomen, de mate van aansprakelijkheid dient te worden bepaald aan de hand van het marktaandeel per bedrijf.

Rechtsvraag

Zijn de farmaceutische bedrijven aansprakelijk voor de schade die door de vrouwen is geleden of kan de causaliteit in dit geval niet aangetoond worden, waardoor zij ook niet gehouden zijn de geleden schade te vergoeden?

Lagere rechters

De feitenrechters voelden al wel dat er hier iets niet in orde was, maar de causaliteit konden ook zij niet aantonen. Om deze reden kwamen de feitenrechters dan ook tot het oordeel dat er hier geen sprake was van een schadevergoedingsplicht voor de farmaceutische bedrijven. De vrouwen lieten het hier echter niet bij en stapten naar de Hoge Raad.

Hoge Raad

De Hoge Raad komt tot het oordeel dat alle bedrijven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige schade van de vrouwen en beargumenteert dit aan de hand van de volgende redenering:

Volgens de Hoge Raad is het onaanvaardbaar dat de slachtoffers in dit geval het risico van het marktaandeel op zich dragen, zoals door de farmaceutische bedrijven is aangevoerd; daarnaast acht de Hoge Raad het onaanvaardbaar dat de slachtoffers moeten aantonen wat het marktaandeel per bedrijf is; Tot slot vindt de Hoge Raad het onaanvaardbaar dat de slachtoffers vele claims moeten uitvaardigen om hun volledige schade vergoed te zien, gezien de ernst en omvang van de schade. De Hoge Raad erkent hier de ernst van de zaak en de omvang van de schade die de vrouwen hebben geleden. Daarom komt de Hoge Raad tot de conclusie dat het voldoende is dat een slachtoffer één van de aansprakelijke partijen aanspreekt tot vergoeding van haar algehele schade, indien zij kan aantonen dat de producent DES-medicijnen op de markt heeft gebracht (ten tijde van de zwangerschap van haar moeder) en dat zij schade heeft geleden als gevolg van het gebruik van dit medicijn. Als niet langer kan worden achterhaald van welke producent het betreffende DES-medicijn afkomstig was, hoeft zij dit ook niet aan te tonen.