Privaatrecht – Citronas ECLI:NL:HR:1986:AD5694

  • Datum: 20 juni 1986

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 1376 BW

Casus

Citronas is eigenaar van 80.000 kisten sinaasappelen die met het m.s.s ‘Khaly-freezer’ in Rotterdam zijn aangekomen. Deze sinaasappelen werden vervolgens opgeslagen in een niet gekoelde cel van Deko-Hanno omstreeks 27 augustus 1979. Een deel van de sinaasappelen was al doorverkocht aan derden en moest dus uit de loods gehaald worden en naar een veiling gebracht. Op diezelfde dag breekt er ook een staking uit en als gevolg daarvan kon citronas de sinaasappelen niet naar de veiling brengen. Op 29 augustus opent Deka-Hanno de loodsdeuren ter oplevering van de goederen, maar deze worden door de stakers weer gesloten. Op 3 en 4 september sommeert Citronas Deko-Hanno om toestemming te geven om de poorten te openen en om Citronas in de gelegenheid te stellen de sinaasappelen weg te voeren. Ze stellen Deka-Hanno aansprakelijk voor de schade welke zij tengevolge van een eventuele weigering van Deko-Hanno zouden lijden. Deko-Hanno weigert de toestemming.

Rond 7 augustus zijn de sinaasappelen onder politiebescherming afgevoerd. De sinaasappelen zijn weggevoerd en verkocht, maar er is schade geleden. Citronas legt aan hun vordering ten grondslag “een onrechtmatig, immers onzorgvuldig en opzettelijk, althans aan grove schuld te wijten, handelen van Deka-Hanno.” Deka-Hanno wist immers dat de sinaasappelen konden bederven. Deka-Hanno beroept zich op een aantal bepalingen van de Algemene Voorwaarden van de Vereniging Rotterdamse Stuwadoors (de RSC). In art 12 staat dat iedere vordering tegen de stuwadoor vervalt door het enkele tijdsverloop van zes maanden na het ontstaan van de vordering. en art 8 en 9, die de aansprakelijkheid van de stuwadoor uitsluiten behoudens in geval van opzet of grove schuld beperken.

Rechtsvraag

Kan Deko-Hanno zich beroepen op de voorwaarden van de RSC?

Het Hof

Het hof heeft geoordeeld dat tussen Citronas c.s. en Deka-Hanno geen (rechtstreekse) contractuele relatie bestond op grond waarvan de RSC tussen hen van toepassing zouden zijn en dat in het onderhavige geval niet is gebleken ‘van omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het beginsel van art. 1376 BW en die met zich mede brengen, dat (Citronas c.s.) de RSC in redelijkheid tegen zich moeten laten gelden’.