Privaatrecht – Bijl/ Van Baalen ECLI:NL:HR:2006:AV1559

  • Datum: 20 april 2006

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Bijl en Van Baalen zijn buren. Van Baalen wil op zijn grond een aantal landhuizen bouwen, Bijl verzet zich hiertegen en beroept zich op een erfdienstbaarheid van uitzicht. Bij de voorzieningenrechter sluiten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin Bijl afstand doet van de erfdienstbaarheid. Als Van Baalen de vergunningen van de gemeente krijgt, maakt Bijl hiertegen bezwaar. De gemeente oordeelt dat de bezwaren ongegrond zijn. Hierop vordert Van Baalen in kort geding dat Bijl de bezwaren intrekt, de voorzieningenrechter wijst dit af. In hoger beroep wijst het Hof de vordering toe.
Vervolgens legt Van Baalen conservatoir beslag omdat Bijl zou handelen in strijd met de vaststellingsovereenkomst. Van Baalen maakt de bodemprocedure aanhangig bij de rechtbank Amsterdam, welke de vordering van Van Baalen afwijst.

Rechtbank

Bijl vordert in kort geding opheffing van de beslagen, de voorzieningenrechter wijst dit af. De voorzieningenrechter is van mening dat de beslagen Bijl niet zodanig treffen dat zijn belang bij opheffing zwaarder dient te wegen dan het belang van Van Baalen bij handhaving van de beslagen.
Daarbij komt dat een afwijzing in een bodemprocedure niet zonder meer betekent dat de beslagen moeten worden opgeheven. Een summierlijk ondeugdelijkheid van de beslagen kan hieruit niet blijken.

Het Hof

Het Hof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het Hof oordeelt dat het vonnis van een bodemrechter een belangrijk gezichtspunt is bij de vraag of de ondeugdelijkheid summierlijk is gebleken, maar dat het enkele vonnis deze vraag niet beantwoordt.

Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep en oordeelt dat een voorzieningenrechter bij het treffen van een voorlopige voorziening in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter. Onder omstandigheden kan hiervan worden afgeweken, hetgeen het geval kan zijn als het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misverstand berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.