Privaatrecht – Ahold/Staat ECLI:NL:HR:2005:AR0220

  • Datum: 14 januari 2005

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:119 BW

Casus

Door Ahold zijn Spaanse flessen wijn geïmporteerd om deze vervolgens te verkopen in supermarktketens. Over deze flessen wijn werd een flink bedrag aan accijns geheven, dat door Ahold aan de Staat was betaald. Omdat het in het onderhavige geval echter ging om vruchtenwijn met een lager percentage alcohol en dus niet om een ‘normale’ wijn, stelde Ahold zich op het standpunt dat zij onterecht het hoge bedrag aan accijns over de import hadden betaald. Ahold krijgt gelijk en vordert het bedrag succesvol terug. Hiermee is Ahold echter niet tevreden. Volgens Ahold dient namelijk, behalve de hoofdsom, ook de wettelijke rente terug te worden betaald. De Staat is het hier niet mee eens omdat door Ahold geen schade of iets dergelijks is geleden. Zij zouden het bedrag aan accijns namelijk hebben afgewenteld op hun consumenten.

Rechtsvraag

Dient er voor betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom (art. 6:119 BW) sprake te zijn van schade?

Lagere rechters

Door de rechtbank wordt de vordering toegewezen, maar in hoger beroep wijst het hof de vordering af. Hiertoe overweegt het hof dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de Staat ook nog tot vergoeding van de wettelijke rente te verplichten, er is immers geen schade aan de kant van Ahold.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is de betaling van de wettelijke rente uit art. 6:119 BW bedoeld als een vergoeding wegens vertraging van een te betalen geldsom. Deze bepaling dient de rechtszekerheid en is dus ook van toepassing als er geen schade is opgelopen door de eiser van het geldbedrag. Zodra er vertraging is opgelopen in betaling van de geldsom waar eiser recht op heeft, dient de wettelijke rente betaald te worden.

Annotatie

Bij dit arrest is vooral de annotatie van belang. Hierin wordt besproken dat vertragingsschade bij geldschulden beheerst wordt door art. 6:119 BW. In art. 6:119 BW wordt vermeld dat de schadevergoeding wordt gefixeerd op de wettelijke rente, omwille van de rechtszekerheid. Schuldeisers ontvangen dus ongeacht de omvang van eventueel geleden schade, vergoeding voor vertraging van de betaling.

Wel werkt de bepaling van art. 6:119 BW door naar art. 6:109 BW, dat de rechter de mogelijkheid geeft het bedrag zo nodig te matigen en naar art. 6:2 en 6:248 (de redelijkheid en billijkheid). De factoren die volgens de Hoge Raad tot matiging van het bedrag kunnen leiden, zijn onder andere de hoedanigheden van partijen, de draagkracht van de schuldenaar, eventuele verwijtbaarheid en de verhouding tussen partijen. Factoren die door de rechter welbewust buitenspel zijn geplaatst, zoals de grootte van de schade die is geleden door de schuldeiser, mogen dus niet worden meegewogen in dit matigingsoordeel. In deze visie is het oordeel van het hof, dat de Staat niet tot betaling van de wettelijke rente hoeft over te gaan wegens het feit dat Ahold geen schade heeft geleden, dus ook moeilijk te accepteren.