Privaatrecht – Aansprakelijkheid advocaat ECLI:NL:HR:2015:2745

  • Datum: 18 september 2015

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:162 BW

Casus

In deze casus had eiser via een advocatenkantoor (te weten: een maatschap) twee (besturende) advocaten ingeschakeld voor advies omtrent het al dan niet verstrekken van een geldlening aan een B.V. Door eiser is vervolgens een lening van een bedrag van 1 miljoen verstrekt aan Alasco B.V, welke de lening vervolgens netjes heeft terugbetaald. Toen Alasco B.V. nogmaals een bedrag van 1 miljoen euro wilde lenen van eiser, kwamen zij dit wederom overeen. Hiervoor heeft eiser weer de eerder ingeschakelde advocaten om advies gevraagd. Zij gaven hem als advies een zekerheid te stellen voor de lening om te voorkomen dat eiser met lege handen zou staan, mocht Alasco B.V. failliet gaan. Aldus geschiedde en eiser verkreeg tot zekerheid van terugbetaling een hypothecaire zekerheid op een stuk grond in Roden en tevens een aantal borgtochten. In hetzelfde jaar dat deze tweede lening overeen werd gekomen, werd Alasco B.V. (en haar borgen) failliet verklaard, terwijl een deel van de geldlening nog niet was terugbetaald. Weliswaar had eiser een hypothecaire zekerheid op een stuk grond in Roden, maar de waarde van deze grond was onvoldoende om het resterende bedrag van de lening te voldoen. Eiser vordert vervolgens op grond van onrechtmatige daad een schadevergoeding van de adviserende advocaten, omdat zij de waarde van de grond waar de hypothecaire zekerheid op kwam te liggen niet hebben onderzocht en eiser hierover niet hebben geïnformeerd.

Rechtsvraag

Kan eiser de adviserende advocaten of het advocatenkantoor aanspreken op grond van onrechtmatige daad nu het stuk grond waar de hypothecaire zekerheid op is gesteld onvoldoende is om het resterende bedrag van de lening te kunnen voldoen en zij hier onderzoek naar hadden moeten doen en eiser hierover hadden moeten informeren?

Lagere rechters

Zowel de rechtbank in eerste aanleg als het hof in hoger beroep hebben de vordering van eiser afgewezen. Hiertoe werd overwogen dat de opdracht van eiser werd gericht aan het advocatenkantoor en niet aan de advocaten persoonlijk. Aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad voor de advocaten zou alleen dan volgen als er feiten zouden zijn aangevoerd die een persoonlijk verwijt aan de advocaten opleverden, hetgeen niet het geval was. Dat de advocaten hun dienstverlening volgens eiser niet naar behoren hebben uitgevoerd en daardoor ernstig tekort zijn geschoten, is onvoldoende om aan te tonen dat de advocaten aansprakelijk zijn op grond van art. 6:162 BW.

Hoge Raad

De Hoge Raad begint met de overweging dat uitgangspunt is dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van hem kan worden verwacht als een redelijk bekwaam en handelend vakgenoot. Dit brengt met zich mee dat een advocaat zijn cliënt goed dient te informeren. Is de door de cliënt gegeven opdracht door de advocaat feitelijk uitgevoerd en wil de cliënt de advocaat vervolgens aansprakelijk stellen op grond van onrechtmatige daad, dan dienen daarvoor de eisen uit art. 6:162 BW in acht te worden genomen.
Dit geldt ook als de cliënt de opdracht aan een advocatenkantoor heeft gegeven, waarna deze opdracht door een advocaat aldaar feitelijk ten uitvoer is gelegd. Voor aansprakelijkheid is niet vereist dat de adviserende advocaat een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Het hof heeft dus een verkeerde maatstaf toegepast. De Hoge Raad verduidelijkt in dit arrest dat, als een advocaat door zijn cliënt wordt aangesproken op grond van onrechtmatige daad, hij wordt aangesproken in zijn hoedanigheid als beroepsbeoefenaar, ook al zijn de advocaten bestuurder van de maatschap.
Dit arrest is dus een voorbeeld waarin bestuurders volgens de normale regels uit art. 6:162 BW aansprakelijk kunnen zijn. De klacht slaagt en de Hoge Raad gaat over tot cassatie.