Intellectueel-eigendomsrecht – Puma/Sabel ECLI:EU:C:1997:528

  • Datum: 11 september 1997

  • Rechtbankniveau: Bundesgerichtshof – Duitsland

  • Rechtsgebied: Intellectueel-eigendomsrecht

  • Wetsartikelen: art. 4, lid 1, sub b, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG)

Casus

De Duitse rechtbank heeft door middel van een prejudiciële vraag uitlegging gevraagd van artikel 4, lid 1, sub b, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lid-Staten. De richtlijn was als volgt omgezet in Duitse wetgeving:

(Gesetz über den Schutz von Marken und sonstigen Kennzeichen van 25 oktober 1994 (BGBl. I, blz. 3082))
8;1 “Een merk wordt niet ingeschreven of kan, indien ingeschreven, worden nietig verklaard:
a) (…)
b) wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met een ander merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk.”

De zaak betrof een geschil tussen de ondernemingen Puma en Sabel. Puma heeft tegen de inschrijving van het merk van Sabel oppositie gedaan, omdat het merk van Sabel teveel op dat van Puma zou lijken. Het betreft namelijk een afbeelding van een ‘roofkat’.

Rechtsvraag

Is er sprake van een schending van het merkenrecht met in het bijzonder art. 4, lid 1, sub b, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG)?

Rechtsoverweging

De volgende vragen werden aan het hof van justitie van de Europese Unie gesteld door de Duitse rechtbank:

”Is het voor het aannemen van verwarringsgevaar tussen een uit een woord en een afbeelding samengesteld teken en een enkel uit een afbeelding bestaand teken, dat is ingeschreven voor dezelfde of soortgelijke waren en geen bijzondere bekendheid bij het publiek geniet, voldoende, dat beide afbeeldingen naar hun begripsinhoud (in casu: een springende roofkat) met elkaar overeenstemmen?

Welke betekenis moet in dit verband worden gehecht aan de bewoordingen van de richtlijn, volgens welke het gevaar voor verwarring de mogelijkheid van associatie met het oudere merk omvat?”

Als antwoord op deze vragen: 

Artikel 4, lid 1, sub b, van de richtlijn is niet toepasselijk indien geen verwarring bij het publiek kan ontstaan. Het blijkt dat het verwarringsgevaar ”van vele factoren afhangt en met name van de bekendheid van het merk op de markt, van de vraag in hoeverre een associatie mogelijk is met het gebruikte of ingeschreven teken [, en] van de mate van overeenstemming tussen het merk en het teken en van de geïdentificeerde waren of diensten”. Het verwarringsgevaar dient derhalve globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.

Deze globale beoordeling dient wat de visuele, auditieve of begripsmatige gelijkenis betreft te berusten op de totaalindruk die door de merken wordt opgeroepen, daarbij onder meer rekening houdend met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. Blijkens de formulering van artikel 4, lid 1, sub b, van de richtlijn, dat ”bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende de mogelijkheid van associatie”, speelt de indruk die bij de gemiddelde consument van de betrokken soort waren of diensten achterblijft, een beslissende rol in de globale beoordeling van het verwarringsgevaar. De gemiddelde consument nu neemt een merk gewoonlijk als een geheel waar en let niet op de verschillende details ervan.

Het verwarringsgevaar is des te groter naarmate de onderscheidingskracht van het oudere merk sterker is. Derhalve kan niet worden uitgesloten, dat een begripsmatige gelijkenis voortvloeiend uit het feit dat twee merken afbeeldingen met een overeenstemmende begripsinhoud gebruiken, verwarring kan doen ontstaan in een geval waarin een ouder merk hetzij van huis uit, hetzij wegens zijn bekendheid bij het publiek, bijzondere onderscheidingskracht bezit.

In omstandigheden echter als die van het hoofdgeding, waarin het oudere merk geen bijzondere bekendheid geniet en bestaat uit een afbeelding met weinig suggestieve elementen, volstaat een louter begripsmatige gelijkenis tussen de merken niet om verwarringsgevaar te scheppen.

Rechtsregel

Ter conclusie is bepaald dat het criterium ”gevaar voor verwarring, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk”, als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub b, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat gevaar voor verwarring in de zin van deze bepaling niet reeds aanwezig kan worden geacht, indien het publiek twee merken wegens hun overeenstemmende begripsinhoud met elkaar zou kunnen associëren.