Bestuursrecht – Dakopbouw Haarlem ECLI:NL:RVS:2004:AP4683

  • Datum: 30 juni 2004

  • Rechtbankniveau: Raad van State

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: Art. 125 Gemw

Casus

Appellanten wilden een dakopbouw en hadden daartoe een vergunning aangevraagd. Deze werd verleend, echter werd er een dakopbouw geplaatst welke in strijd was met de vergunning. Het college van B&W legde een last onder dwangsom op. Appellanten gingen in beroep bij de bestuursrechter, de burgerlijke rechter en uiteindelijk in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak. De Afdeling Bestuursrechtspraak gaat in op de vraag of het college hier anders had moeten handelen.

Rechtsvraag

Had het college van B&W van handhavend optreden af moeten zien?

Afdeling Bestuursrechtspraak

De gemeente heeft de bevoegdheid een last onder dwangsom op te leggen via art. 125 Gemw. De vraag is hoe groot de discretionaire bevoegdheid is van het college van B&W in dit geval. De plicht tot handhaving door de gemeente vloeit voort uit de zogenaamde beginselplicht. De Afdeling legt de beginselplicht uit in dit arrest.

Rechtsregel

In Nederland geldt de beginselplicht tot handhaving. Dat wil zeggen dat een bestuursorgaan in beginsel moet overgaan tot handhaving. De beginselplicht heeft als gevolg dat het makkelijk is voor bestuursorganen om handhavend op te treden. De keerzijde daarvan is dat burgers ook makkelijk kunnen verzoeken tot handhaving. Het bestuursorgaan moet dan zelf goede redenen bedenken om niet te handhaven.

Wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden kan van handhaving worden afgezien. Deze bijzondere omstandigheden kunnen inhouden een concreet uitzicht op legalisatie, of een situatie waar handhaving zodanig onevenredig is dat van handhaving moet worden afgezien.

Een concreet uitzicht op legalisatie houdt in dat er sprake is van een aanpassing van de wet waarvan aannemelijk is dat deze in de toekomst zal worden aangenomen wat de onrechtmatigheid van de begane overtreding wegneemt.

Handhaving kan dusdanig evenredig zijn wanneer er strijd is met het gelijkheidsbeginsel, er een gerechtvaardigd beroep is op het vertrouwensbeginsel, of wanneer er een dermate kleine ernst is van handhaving. In het geval waar er strijd is met het gelijkheidsbeginsel kan worden gedacht aan de situatie waar de gemeente ten opzichte van andere bewoners gedoogd, maar niet ten opzichte van de ‘overtreder’. Een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel vloeit uit het Amsterdamse dakopbouw-arrest. Een laatste grond voor het afzien van handhaving is het gebrek aan ernst voor handhaving. Een dergelijk geval kan zich voordoen wanneer er bijvoorbeeld een opstal is gebouwd wat enkele centimeters over de erfgrens is gebouwd en er geen tegenstrijdige belangen zijn.