Publiekrecht – Toelating tweetalig onderwijs, oordeel 2019-79

  • Datum: 6 augustus 2019

  • Rechtbankniveau: CRvdM

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: /

Feiten

De school in kwestie biedt tweetalig basisonderwijs aan, waarbij de lessen 50% in het Nederlands en 50% in het Engels worden gegeven. De verzoekster heeft een formulier ingediend om haar dochter aan te melden bij de school. De dochter is geboren te London, de verzoekster (moeder) heeft de Hongaarse nationaliteit en haar echtgenoot is Duits.
De school heeft het verzoek afgewezen omdat de verzoekster en haar echtgenoot de Nederlandse taal zelf onvoldoende beheersen om de Nederlandse taalontwikkeling van hun kind voldoende te ondersteunen. Verzoekster stelt dat de school een onderscheid heeft gemaakt op ras, omdat de meeste kinderen op de school van niet-Nederlandse afkomst Nederlands niet als hun ‘thuistaal’ hebben.

Rechtsvraag

Is er een verboden direct dan wel indirect onderscheid gemaakt op grond van ras?

Oordeel

Bij indirect onderscheid zijn de criteria weliswaar objectief, maar zullen de criteria in het bijzonder bepaalde groepen meer treffen dan anderen. Het maken van een indirect onderscheid is niet verboden als dit object gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (art. 2 lid 1 AWGB). In casu is de noodzakelijkheid van het middel niet aannemelijk gemaakt, er is hier dus sprake van een verboden onderscheid.