Publiekrecht – Dronken marine- officier ECLI:NL:CRVB:AE4696

  • Datum: 3 mei 2002

  • Rechtbankniveau: Centrale Raad van beroep

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: Art. 10 Gw

Feiten

Een marineofficier is tuchtrechtelijk gestraft vanwege het feit dat hij ‘in kennelijke staat van dronkenschap, al bier drinkend’ tijdens zijn werk is aangetroffen in het onderofficiersverblijf op het schip. Hem is een verbod tot gebruik van alcoholhoudende drank opgelegd. De officier stelt dat het drankverbod dat is opgelegd op een ontoelaatbare wijze inbreuk maakt op zijn persoonlijke levenssfeer ex artt. 10 Gw, 8 EVRM en 17 IVBPR.

Rechtsvraag

Is er met de oplegging van het drankverbod op een ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de Marine-officier?

Lagere rechtbank

Art. 10 van de Grondwet bevat een beperkingssystematiek waarbij in een wet in formele zin beperkingen kunnen worden geformuleerd op het recht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In dit geval is het alcoholverbod gebaseerd op een voldoende wettelijke grondslag, namelijk een voorschrift gebaseerd op het Voorschrift opdracht en organisatie zeestrijdkrachten die bevoegdelijk is vastgesteld door de Minister van Defensie. In dit geval komt bij de beperking een bijzonder gewicht toe aan de functievervulling van de officier.

Oordeel

De rechtbank oordeelt ten onrechte dat opvang in een VBL geen voorliggende voorziening kan zijn die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen, omdat uit de beslissing van het ECSR volgt dat niet de voorwaarde van meewerken aan terugkeer mag worden gesteld.
De ABRvS heeft in haar uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2015:3415, geoordeeld dat het gevolg van de keuze van een vreemdeling om niet mee te werken aan zijn vertrek, te weten dat de staatssecretaris hem de toegang tot de VBL weigert, in beginsel voor risico komt van de vreemdeling. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen, waardoor de staatssecretaris aan het bieden van onderdak niet de voorwaarde tot meewerken aan terugkeer mag verbinden. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich voor indien blijkt dat de vreemdeling vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien. Zolang deze omstandigheden zich voordoen kan die vreemdeling niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn weigering mee te werken aan vertrek. Het is aan de vreemdeling om aan zijn verzoek om opvang zodanige bijzondere omstandigheden ten grondslag te leggen. Het college van B&W heeft de aanvraag van betrokkenen om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo terecht afgewezen op de grond dat zij zich bij de staatssecretaris kunnen melden voor opvang in een VBL. Deze opvang is een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van maatschappelijke opvang op grond van die wet wegneemt. Het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd.

Rechtsregel

Art. 10 Gw staat een beperking toe in een wet in formele zin, voor zover er sprake is van een voldoende wettelijke grondslag.