Publiekrecht – Bed, bad en brood 2 ECLI:NL:CRVB:2016:622

  • Datum: 24 februari 2016

  • Rechtbankniveau: CRVB

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Betrokkenen waren uitgeprocedeerde asielzoekers die geen rechtmatig verblijf in Nederland hadden. Zij hebben opvang als bedoeld in de Wmo aangevraagd. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft die aanvragen afgewezen. Het college heeft aan die afwijzingen ten grondslag gelegd dat betrokkenen niet rechtmatig in Nederland verblijven en op grond van de artikelen 10 en 11 Vw 2000 geen recht hebben op opvang op grond van de Wmo. Betrokkenen kunnen zich wenden tot de Dienst Terugkeer & Vertrek voor opvang in een VBL.

Lagere rechters

Rust op de staatssecretaris op grond van art. 8 EVRM een plicht om een illegale vreemdeling onderdak, eten en kleding verstrekken?

Lagere rechtbank

De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat het niet toegang hebben tot onderdak, eten en kleding voor vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel zodanig het respect voor de menselijke waardigheid aantast dat dit leidt tot een situatie waarin het in artikel 8 EVRM besloten liggende recht op privéleven van een persoon onmogelijk wordt gemaakt. De rechtbank concludeert dat vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus een onvoorwaardelijk recht hebben op een sobere basisvoorziening en dat de door het college in het leven geroepen bed-bad-broodvoorziening hieraan voldoet. Het college kan er in beginsel mee volstaan te verwijzen naar deze algemene voorziening. Indien een betrokkene meent dat deze niet toereikend is, moet hij dat met een begin van bewijs aannemelijk te maken. De rechtbank heeft het standpunt van het college dat betrokkenen zich tot de DT&V konden wenden voor opvang in een VBL, zodat er geen noodzaak is voor opvang op grond van de Wmo verworpen. Uit de beslissing van het ECSR volgt dat de aan opvang in een VBL verbonden voorwaarde dat een vreemdeling moet meewerken aan zijn terugkeer niet mag worden gesteld.

Centrale Raad van Beroep

De rechtbank oordeelt ten onrechte dat opvang in een VBL geen voorliggende voorziening kan zijn die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen, omdat uit de beslissing van het ECSR volgt dat niet de voorwaarde van meewerken aan terugkeer mag worden gesteld.
De ABRvS heeft in haar uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2015:3415, geoordeeld dat het gevolg van de keuze van een vreemdeling om niet mee te werken aan zijn vertrek, te weten dat de staatssecretaris hem de toegang tot de VBL weigert, in beginsel voor risico komt van de vreemdeling. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen, waardoor de staatssecretaris aan het bieden van onderdak niet de voorwaarde tot meewerken aan terugkeer mag verbinden. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich voor indien blijkt dat de vreemdeling vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien. Zolang deze omstandigheden zich voordoen kan die vreemdeling niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn weigering mee te werken aan vertrek. Het is aan de vreemdeling om aan zijn verzoek om opvang zodanige bijzondere omstandigheden ten grondslag te leggen. Het college van B&W heeft de aanvraag van betrokkenen om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo terecht afgewezen op de grond dat zij zich bij de staatssecretaris kunnen melden voor opvang in een VBL. Deze opvang is een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van maatschappelijke opvang op grond van die wet wegneemt. Het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd.