Publiekrecht – Bed, bad en brood 1
ECLI:NL:RVS:2015:3415

  • Datum: 26 november 2015

  • Rechtbankniveau: ABRvS

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: Art. 8 EVRM

Casus

In deze zaak gaat het om een verzoek van een illegale vreemdeling aan de staatssecretaris om hem onderdak te bieden dan wel leefgeld te verstrekken. De vreemdeling leeft al jarenlang als dakloze in Utrecht op straat en gaat daar zowel lichamelijk als psychisch onder gebukt gaat. Hij heeft zijn geringe sociale netwerk uitgeput en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht is niet bereid hem opvang te bieden. Uit onderzoeken komt naar voren dat de vreemdeling aan psychische stoornissen lijdt die gepaard gaan met gedragsproblematiek.

Rechtsvraag

Rust op de staatssecretaris op grond van art. 8 EVRM een plicht om een illegale vreemdeling onderdak, eten en kleding verstrekken?

Lagere rechtbank

De rechtbank overweegt dat in het licht van de beslissing van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 1 juli 2014 in zaak nr. 90/2013 (CEC tegen Nederland) op de Staat ingevolge art. 8 EVRM de verplichting rust om de vreemdeling onderdak, eten en kleding te verstrekken. De rechtbank is van mening dat met het aanbod van onderdak in een vrijheidsbeperkende locatie (hierna: VBL) niet aan deze verplichting heeft voldaan, gezien het vrijheidsbeperkende karakter van de maatregel krachtens art. 56 lid 1 Vw 2000, het daaraan verbonden vereiste dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid die maatregel vordert en de voorwaarde dat de vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland.

Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Het gevolg van de keuze van een vreemdeling om niet mee te werken aan zijn vertrek, te weten dat de staatssecretaris hem de toegang tot de VBL weigert, komt in beginsel voor risico van de vreemdeling.
Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen, waardoor de staatssecretaris aan het bieden van onderdak niet de voorwaarde tot meewerken aan terugkeer mag verbinden. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich voor als blijkt dat de vreemdeling vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien. Zolang deze omstandigheden zich voordoen kan die vreemdeling niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn weigering mee te werken aan vertrek. Het is aan de vreemdeling om aan zijn verzoek om opvang zodanige bijzondere omstandigheden ten grondslag te leggen. Het is aan de staatssecretaris om te beoordelen of in een concreet geval sprake is van een bijzondere omstandigheid die in de weg staat aan de voorwaarde dat wordt meegewerkt aan vertrek uit Nederland. Het voorgaande laat de op die vreemdeling rustende plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten evenwel onverlet.

De staatssecretaris heeft in dit geval ten onrechte zonder nader onderzoek volstaan met het aanbod van onderdak in een VBL onder de voorwaarde dat de vreemdeling zich bij voorbaat bereid verklaart aan zijn vertrek uit Nederland mee te werken. Hoewel de rechtbank dus ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat artikel 8 van het EVRM de staatssecretaris ertoe dwingt de vreemdeling onderdak, eten en kleding te verstrekken, heeft zij het besluit van 19 juni 2014, gelet op art. 3:2 en 7:12 lid 1 Awb, terecht vernietigd. Het hoger beroep is ongegrond.