Privaatrecht – Vrede/Veenhuis ECLI:NL:HR:1993:ZC0986

  • Datum: 4 juni 1993

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Feiten

Vredo is een bedrijf dat innovatieve manieren creëert voor boeren om hun gewassen zo snel en gemakkelijk mogelijk te laten groeien. Een van deze manieren is het gebruiken van een mestinjector. Op deze mestinjector heeft Vredo een Europees octrooirecht. Veenhuis vindt dit een goede uitvinding en besluit om ook een mestinjector te vervaardigen en te verhandelen. Vredo eist een verbod op haar octrooi-inbreuk. Veenhuis daarentegen vindt dat hij helemaal geen inbreuk maakt op het octrooirecht van Vredo. Omdat partijen hierover niet tot overeenstemming komen, spant Vredo een kort geding aan. In kort geding vraagt Vredo om een verbod op octrooi-inbreuk van zijn octrooirecht. De rechter in kort geding oordeelt dat de kortgedingprocedure niet voldoende maatstaven biedt om een verbod op octrooi-inbreuk te verlenen en besluit om de gevraagde voorziening te weigeren.

Rechtsvraag

Mag de kortgedingrechter, als hij vindt dat de zaak niet vatbaar is om in kort geding op de juiste manier te worden behandeld, de gevraagde vordering afwijzen?

Hoge Raad

De kortgedingrechter heeft de vrijheid om de voorziening te weigeren als wordt gedacht dat de kortgedingprocedure ontoereikend is voor de gevraagde voorziening. De kortgedingrechter zou zich ook kunnen laten informeren door deskundigen om wel toereikend antwoord te geven, maar hier bestaat niet de verplichting toe. Hij heeft dus ook de bevoegdheid om de voorziening zonder meer te weigeren. Wel dient de kortgedingrechter met het gebruik van deze bevoegdheid terughoudend te zijn. Daarnaast is de kortgedingrechter in deze zaak tekort geschoten voor wat betreft de motivering. Het is namelijk wel zo dat ook de uitspraak van de rechter in kort geding voldoende inzicht dient te geven aan de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang.