Privaatrecht – Van Dooren q.q./ ABN AMRO II ECLI:NL:HR: 2005:AT1089

  • Datum: 8 augustus 2005

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 47 Fw

Casus

De bank heeft het krediet van een groep ondernemingen die liquiditeitsproblemen hadden verhoogd. Voor het nieuwe en het al verleende krediet heeft de bank hypothecaire zekerheid bedongen. Twee dagen na de inschrijving van de hypotheken in de openbare registers werd voorlopige surseance van betaling gevraagd en verkregen. Een paar dagen later werd het faillissement uitgesproken.

De curator vordert vernietiging van de vestiging van de hypotheek. Volgens de curator is de wetenschap van een ophanden zijnde aanvraag van surseance gelijk te stellen aan de wetenschap van aanvraag van faillissement als bedoeld in art. 47 Fw.
Ook zou de bank door de aanvaarding van de hypotheken de rangorde tussen de schuldeisers doorbroken hebben en dus onrechtmatig gehandeld hebben. Daarnaast zou de toezegging tot zekerheidstelling een onverplichte rechtshandeling zijn op grond van art. 43 lid 1 sub 2 Fw.

Rechtsvraag

Wanneer is er sprake van “wetenschap” als bedoeld in art. 47 Fw?

Rechtbank

De rechtbank heeft geoordeeld dat de bank weliswaar op de datum dat de hypotheek werd ingeschreven in het register wist dat het faillissement aangevraagd zou worden, maar dat deze kennis in de omstandigheden van het geval niet gelijk kan worden gesteld met de vereiste wetenschap dat het faillissement al was aangevraagd van art. 47 Fw.
De curator heeft volgens de rechtbank niet (voldoende) feitelijk onderbouwd dat de bank met het vestigen van de hypotheken de rangorde van de bank heeft willen begunstigen.
De toezegging tot zekerheidstelling kan gezien worden als onverplicht in de zin van art. 43 lid 1 sub 2 Fw. Wetenschap in de zin van art. 42 Fw wordt dan ook volgens de rechtbank vermoed, behoudens tegenbewijs door de bank.

Het Hof

Ook het Hof was van oordeel dat de “wetenschap” zoals vermeld in art. 47 Fw. restrictief moest worden uitgelegd. Het Hof vond echter dat de hypotheekverlening wel een verplichte handeling was. De gesloten overeenkomst zou de ondernemingen verplicht hebben om de hypotheken te sluiten. Omdat dit het geval was, kon volgens het Hof art. 42 Fw niet van toepassing zijn. Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van de curator af.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is er geen grond om de voldoening aan een opeisbare verbintenis tot het verstrekken van een hypotheek nietig te verklaren op grond van art. 54 Fw. Er is geen sprake van de gronden zoals die zijn opgesomd in art. 47 Fw. De hypotheekhouder heeft dan ook te goeder trouw gehandeld door de hypotheek aan te vragen en in te laten schrijven. Daarnaast heeft het Hof juist geoordeeld door te oordelen dat de vestiging van de hypotheken niet vernietigbaar is op grond van art. 47 en 42 Fw. Alleen bijzondere omstandigheden zouden ervoor kunnen zorgen dat de hypotheekvestiging onrechtmatig zou kunnen zijn.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof.