Privaatrecht – Staat/Vrolijk ECLI:NL:HR:2017:2789

  • Datum: 27 oktober 2017

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Eiseres is op 12 januari 2002 naar de spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis in Maastricht gebracht in verband met een acute hernia. Nadat zij door een arts-assistent neurologie is onderzocht en pijnstilling had gekregen, is zij weer naar huis gebracht. Een dag later is zij echter opnieuw naar het ziekenhuis gebracht, waar zij nogmaals werd onderzocht. Naar aanleiding van dit tweede onderzoek, door een andere arts-assistent, is zij diezelfde avond nog aan de acute hernia geopereerd. Na deze operatie zijn bij eiseres restverschijnselen (in de vorm van gevoelsstoornissen) blijven bestaan. Eiseres vordert dan ook vergoeding van de door haar geleden schade van het ziekenhuis. Hierbij stelt ze zich op het standpunt dat het ziekenhuis niet tijdig haar zogeheten caudasyndroom heeft onderkend en dat jegens haar niet overeenkomstig de professionele standaard is gehandeld.

Rechtsvraag

In hoeverre is het ziekenhuis aansprakelijk voor de door eiseres geleden schade?

Lagere rechters

Het hof heeft de vorderingen van eiseres afgewezen. Volgens het hof is er weliswaar sprake geweest van een tekortkoming van de arts-assistent, maar onvoldoende duidelijk is dat er een niet zeer kleine kans bestond dat door de vertraging aan eiseres een reële kans op een beter behandelingsresultaat (dan feitelijk is gerealiseerd) is onthouden. De door het hof benoemde deskundige had in zijn rapport aangegeven dat de kans op een beter behandelingsresultaat niet in een percentage kan worden uitgedrukt. Eiseres klaagt in cassatie over dit oordeel van het hof. Zij wijst er in dit verband op dat de desbetreffende deskundige in zijn rapportage had opgemerkt dat, in de op het moment van het voorval geldende richtlijn, staat beschreven dat een snelle operatie noodzakelijk is. Eiseres stelt dat het oordeel dat het onvoldoende aannemelijk zou zijn dat door de vertraging aan eiseres een reële kans op een beter behandelingsresultaat is onthouden, onvoldoende dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd.

Hoge Raad

Ook hier gaat het om de kansschade bij medische aansprakelijkheid. De Hoge Raad overweegt dat de deskundige in zijn rapportage heeft opgemerkt dat nooit vergelijkend onderzoek is verricht of een snelle operatie een beter resultaat geeft dan een wat latere operatie. Om die reden is niet bekend welk verschil een snelle operatie maakt ten opzichte van een latere operatie. Tegen deze achtergrond heeft de deskundige de kansen niet kunnen duiden. Het hof heeft hier echter de conclusie aan verbonden dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de vertraging het verlies van een kans op een beter behandelingsresultaat heeft veroorzaakt. Deze conclusie had het hof niet mogen trekken. Uit het feit dat een deskundige een kans niet in een percentage kan uitdrukken omdat naar de grootte van die kans nooit onderzoek is gedaan, volgt niet dat die kans niet in een rechtens relevante omvang bestaat. Het hof had volgens de Hoge Raad nader moeten onderzoeken of door de vertraging een reële kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan. In het bevestigende geval had het hof vervolgens tot een zo goed mogelijke schatting van die kans moeten komen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.