Privaatrecht – Sietses tegen Sneek ECLI:NL:HR:2002:AF0585

  • Datum: 15 november 2002

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 3:34 Bw

Casus

Sneek treedt op 1 maart 1988 voor onbepaalde tijd in dienst bij Sietses. Enkele jaren later valt Sneek uit wegens ziekte, maar hervat hij kort daarop zijn werkzaamheden op therapeutische basis. Eind 1997 heeft Sneek een gesprek met de directeur van Sietses, waarin hij aangeeft te willen stoppen. Hij bevestigt zijn ontslag per brief. Op 1 maart 1998 vernietigt de gemachtigde van Sneek deze eenzijdige ontslagname op grond van het feit dat Sneek destijds niet in staat was zijn wil te bepalen wegens een ‘psychische stoornis’. De gemachtigde vraagt ten overstaan van de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Sietses voert hiertegen verweer en betoogt onder meer dat zij ten zijde van de ontslagname niet wist dat Sneek niet in staat was zijn wil te bepalen. Sneek ontvangt met ingang van 25 mei 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Rechtsvraag

Is Sneeks ontslag rechtsgeldig tot stand gekomen?

Lagere rechters

Het kantongerecht wijst de vorderingen van Sneek af, nu niet aannemelijk is geworden dat Sietses ten tijde van de ontslagname had moeten begrijpen dat Sneek handelde onder invloed van een psychische stoornis. De rechtbank wijst daarop in beroep de vorderingen van Sneek toe. Een eenzijdige ontslagname met onmiddellijke ingang is in het algemeen nadelig voor de werknemer. Dit nadeel was redelijkerwijs voorzienbaar. De ingrijpende gevolgen van een dergelijk eenzijdige ontslagname brengt met zich mee dat Sietses Sneek niet meer aan zijn ontslagname kan houden, indien zij hier geen nadeel aan ondervindt. Van zo’n nadeel was geen sprake.

Hoge Raad

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft de rechtbank onbestreden geoordeeld dat de ontslagname nadelig was voor Sneek en dat deze nadelen naar objectieve maatstaven redelijkerwijs te voorzien waren. In het kader van art. 3:34 BW is een beroep op het vertrouwensbeginsel niet relevant. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat op het moment dat een werknemer getuigt ontslag te willen nemen, maar niet in staat was om zijn wil te bepalen ten gevolge van een psychische stoornis, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als de werkgever voet bij stuk houdt. Dat geldt des te meer op het moment de werkgever zelf geen nadeel ondervindt. Op grond van deze overwegingen concludeert de Hoge Raad dat de rechtbank geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De cassatiemiddelen van Sietses falen derhalve.