Privaatrecht – Schietincident Alphen aan de Rijn

  • Datum: 20 september 2019

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:163 BW

Casus

Het is 9 april 2011 wanneer te Alphen aan den Rijn in een winkelcentrum met vuurwapens wordt geschoten. Hierbij komen zeven mensen om het leven (waaronder de schutter zelf) en raken zestien mensen gewond. De schutter heeft hierbij gebruik gemaakt van drie vuurwapens, waarvoor hij verlof heeft gekregen. Bij het verlenen van het verlof was het bij de politie bekend dat de schutter betrokken was geweest bij een luchtdrukwapen incident en dat hij in bewaring gesteld was geweest op grond van Wet Bopz. De gedupeerden vorderen schadevergoeding van de politie op grond van art. 6:162 BW. Dit wordt gedeeltelijk door het Hof toegewezen. Zowel de politie als de gedupeerden gaan in cassatie. De politie bestrijdt het oordeel van het Hof dat er is voldaan aan de vereisten van de onrechtmatige daad (specifiek relativiteitsvereiste, causaliteit en toerekenbaarheid). De gedupeerden bestrijden het oordeel van het Hof dat de overige immateriële schadeposten niet vallen onder de ruime toerekening van schadevergoeding.

Rechtsvraag

Is er voldaan aan de vereisten (relativiteitsvereiste, causaliteit en toerekenbaarheid) van de onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW?

Zijn de overige immateriële schadeposten toe te rekenen aan de politie?

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat er is voldaan aan art. 6:163 BW (relativiteitsvereiste). De door de politie geschonden norm strekt ter bescherming van zowel de samenleving, als individuele burgers tegen onverantwoord wapenbezit. Ook oordeelt de Hoge Raad dat er is voldaan aan het condicio sine qua non verband. De politie heeft onvoldoende bewezen dat de schutter ook daadwerkelijk op een andere wijze aan de wapens was gekomen. Met betrekking tot de toerekenbaarheid van de schade oordeelt de Hoge Raad dat de geschonden norm juist gericht is op het voorkomen van schade door onverantwoord wapenbezit en dus toerekenbaar is. De vordering van de gedupeerden wordt ook toegewezen op grond van het feit dat de geschonden norm strekt ter voorkoming van alle vormen van schade. De redenering dat de overige schadeposten als minder ernstig worden geacht is ongegrond. De vaststelling van de omvang van de overige schadeposten zal worden vastgesteld in de schadestaatprocedure.