Privaatrecht – Noenmaal NJ 1997, 592

  • Datum: 31 maart 1995

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 152 Rv

Feiten

Boudeling exploiteert in Kruiningen een restaurant dat ten tijde van het hierna volgende twee Michelin-sterren bezat. Op 31 oktober 1984 komen twee artsen, Taams en De Brey als enige gasten eten in het restaurant. De twee gedragen zich uiterst onbeschoft en geven te kennen de rekening niet te zullen betalen. Als zij het restaurant verlaten grijpt Boudeling Taams in de kraag. Taams maakt dan een armbeweging naar achter waardoor hij Boudeling in het gezicht krabt, waarop Boudeling een klap uitdeelt. Taams komt daarbij ten val tegen de deur en loopt ernstig letsel op. Naar later blijkt hadden de twee artsen de rekening toch betaald (inclusief fooi), waarbij partijen het overigens oneens zijn of het geld op of onder een schoteltje lag.

Rechtsvraag

Dient een verklaring van Taams als partij-getuige (art. 213 Rv) als bewijs te gelden, ondanks onderlinge afwijkingen in de getuigenverklaringen?

Hoge Raad

De beperkte bewijskracht houdt in dat de partij met de bewijslast niet enkel kan volstaan met een verklaring van een partijgetuige, het is geen zelfstandig bewijs. Er moet verder aanvullend bewijs zijn. Deze regel staat in artikel 164 lid 2 Rv. Het aanvullende bewijs moet zodanig sterk zijn en essentiële punten bevatten dat het de partijverklaring voldoende geloofwaardig maakt. De beoordeling van het bewijs is aan de rechter overgelaten op grond van art. 152 Rv.