Privaatrecht – Mulder q.q./ Rabobank ECLI:NL:HR: 2002:AE7842

  • Datum: 20 september 2002

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 3:239 lid 1 BW

Casus

In deze zaak is een zogenaamde A-groep vennootschappen failliet verklaard. De Rabobank had deze groep vennootschappen een krediet verstrekt van circa anderhalf miljoen gulden. De vennootschappen hebben bij onderhandse akte aan de bank onder meer hun bestaande en toekomstige vorderingen op derden tot zekerheid voor de betaling verpand aan de bank.
De laatste pandlijst dateert van 4 november 1998 en is geregistreerd op 13 november 1998. Op deze lijst zijn de vorderingen op debiteuren – aan de hand van een computerlijst – gespecificeerd tot en met 26 oktober 1998. Op 11 december 1998 heeft de bank krachtens de in de akte van 9 januari 1998 verleende onherroepelijke volmacht, alle op dat moment bestaande en toekomstige rechten/vorderingen op derden aan zichzelf verpand.

De akte is geregistreerd op 15 december 1998. In deze door de bank ondertekende akte wordt een generieke omschrijving van de verpande vorderingen gegeven en verder niet verwezen naar enige (computer)lijst waarop de vorderingen gespecificeerd beschreven zijn. Evenmin wordt een globale omschrijving van de vorderingen gegeven.

Rechtsvraag

Is er aan de eis van voldoende bepaaldheid van de vorderingen in de akte is voldaan?

Hoge Raad

Bij verpanding van vorderingen op naam dienen die vorderingen krachtens art. 3:239 lid 1 BW voldoende te zijn bepaald in de akte.

Een generieke omschrijving als in het onderhavige geval kan leiden tot een geldige overdracht, omdat het ontbreken van een nadere specificatie niet in de weg staat aan het oordeel dat een generieke omschrijving voldoet aan de eis van voldoende bepaaldheid. In het onderhavige geval is dan ook sprake van een geldige verpanding.