Privaatrecht – M’Barek/Van der Vloodt ECLI:NL:HR:2019:508

  • Datum: 14 juni 2002

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Feiten

Van der Vloodt doet in mei 1983 de door M’Barek bewoonde ruimte in Amsterdam ontruimen, op grond van een verstekvonnis. Dit vonnis was gewezen tegen Castro, die voor M’Barek de huurder was. Halverwege 1982 is geconstateerd dat M’Barek de feitelijke bewoner was en toen is hem een huurcontract aangeboden, maar deze weigerde hij te tekenen vanwege een huurverhoging en hierna is een huurachterstand ontstaan. De inboedel is mei 1983 door de gemeente Amsterdam van straat meegenomen en opgeslagen. De gemeente wilde deze slechts tegen betaling van de kosten afgeven. Bij kort geding voert M’Barek aan dat de executie van het destijds tegen Castro verkregen vonnis jegens hem onrechtmatig was en hij vordert van de gemeente afgifte van zijn inboedel. Van der Vloodt stelt na toewijzing hoger beroep in. Het hof stelt Van der Vloodt in het gelijk.

Rechtsvraag

Wanneer is plaats voor toewijzing bij voorraad van een geldvordering in een kort geding?

Hoge Raad

Om de rechtsvraag te beantwoorden moet de rechter niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van eiser op gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of verder sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. De rechter moet in de afweging van de partijen mede betrekken de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Het vereiste van een spoedvereisende omstandigheid brengt echter niet met zich mee dat er tevens een financiële noodsituatie moet zijn.