Privaatrecht – Hollander’s kuikenbroederij ECLI:NL:HR: 1995:ZC1680

  • Datum: 24 maart 1995

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Hollander’s broed kippeneieren machinaal, fokt eendagskuikens tot leghennen en het vervolgens verkopen zij die hennen aan derden. In 1978 krijgt Hollander’s een krediet van de Raiffeisenbank Domburg. Daartoe draagt zij al haar tegenwoordige en toekomstige pluimvee in eigendom over aan de bank, tot zekerheid van de betaling van hetgeen door haar aan de bank verschuldigd is. De broedeieren betrekt Hollander’s van Euribrid, het benodigde kippenvoer van diverse voerleveranciers.
In de periode tussen 1982 en 1985 draagt zij herhaaldelijk al haar bestaande en toekomstige hennen aan Euribrid over tot zekerheid van de betaling. Euribrid heeft zich bovendien de eigendom van de door haar aan Hollander’s afgeleverde eieren voorbehouden. Eind mei 1985 gaat Hollander’s failliet. De bank maakt de in het bedrijf aangetroffen kippen, die zij haar eigendom acht, te gelde. Euribrid en andere leveranciers van Hollander’s bundelen hun krachten in de Stichting Crediteurenbelangen Hollander’s en dagvaarden de bank tot betaling van de openstaande vorderingen. De rechtbank en het Gerechtshof hebben de vordering afgewezen.

Rechtsvraag

Wie is eigenaar van de nieuwe zaken, wanneer er sprake is van zaaksvorming?

Hoge Raad

De Stichting legt de volgende stellingen neer bij de Hoge Raad:

• De bij Hollander’s aanwezige kippen waren eigendom van de leveranciers als gevolg van de jegens hen bij voorbaat verrichte leveringen;

• De bij Hollander’s aanwezige kippen waren eigendom van Euribrid als gevolg van haar eigendom van broedeieren en van de moederkippen;

• De opbrengst van de bij Hollander’s aanwezige kippen komt toe aan de voerleveranciers, wier vorderingen kosten tot behoud betreffen en derhalve krachtens de wet een hoge voorrang hebben.

De Hoge Raad oordeelde dat een levering bij voorbaat van een toekomstig goed, niet werkt tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Dat kan anders worden gezien, indien degene die roerende zaken ingevolge een eerdere levering bij voorbaat in beginsel zou verkrijgen, met de vervreemder is overeengekomen dat deze de vrijheid heeft zich eenzijdig te onttrekken aan de verplichting om de zaken voor eerstgenoemde te gaan houden. Een dergelijke overeenkomst was hier niet aan de orde.

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat eieren en kuikens verschillende zaken zijn, omdat een kuiken door het ei te verlaten een zodanige gedaantewisseling ondergaat dat een zaak ontstaat die naar verkeersopvatting een eigen, van die van de oorspronkelijke zaak te onderscheiden, identiteit heeft. Zodoende betekent de eigendom van broedeieren en moederkippen niet dat de nieuwe kuikens ook onder die eigendom vallen. Er ontstaat dus een nieuwe zaak.

Het voorrecht dat verbonden is aan een vordering tot voldoening van kosten tot behoud moet beperkt worden uitgelegd. Het omvat slechts de kosten die zijn gemaakt om de zaak in fysieke zin voor tenietgaan te behoeden. Kosten voor onderhoud zijn daaronder niet begrepen. De vordering wordt zodoende afgewezen.