Privaatrecht – Groningse aardbevingsschade ECLI:NL:HR:2021:1534

  • Datum: 15 oktober 2021

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:106 onder b BW

Casus

A c.s. wonen in de provincie Groningen. Als gevolg van gaswinning doen zich daar aardbevingen voor. De gaswinning vindt plaats op basis van een door de Staat aan NAM verleende concessie. Het beleid met betrekking tot de gaswinning op basis van deze concessie wordt gevoerd door de Maatschap, waarin NAM en EBN de vennoten van zijn. Via de Maatschap delen NAM en EBN het economische belang bij de gaswinning. De Staat is enig aandeelhouder van EBN. In dit geding vorderen A c.s. schadevergoeding. De rechtbank heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

Rechtsvraag

Hebben de bewoners recht op een vergoeding van de schade en zo ja, welke schade komt voor vergoeding in aanmerking?

Hoge Raad

In het algemeen geldt dat de vraag of een handelen of nalaten van de Staat onrechtmatig is, in voorkomend geval moet worden beantwoord met inachtneming van de minimumeisen die de relevante bepalingen van het EVRM en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van het EHRM stellen aan het handelen of nalaten van de Staat. Schade door mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant aansprakelijk is, moet in beginsel ook op grond van art. 6:98 BW aan de exploitant worden toegerekend. De omvang van de verplichting van de exploitant om de schade te vergoeden die bestaat in waardevermindering van een woning die het gevolg is van het risico van toekomstige bodembeweging boven het Groningenveld zoals potentiële kopers dat zien en die zich nog niet heeft gemanifesteerd bij (serieuze poging tot) verkoop van de woning, kan nog niet worden begroot. Ook het gederfd woongenot is vermogensschade waarvan de bewoner aanspraak kunnen maken op een vergoeding. Schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk kan bestaan in een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106, onder b, BW. In dit geval is het aannemelijk dat de bewoners recht hebben op een zeker bedrag door aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 onder b BW.