Privaatrecht – Eiser/De Goudse, molenaarszoon ECLI:NL:HR:2017:273

  • Datum: 17 februari 2017

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Eiser, molenaar van beroep, is in deze casus betrokken geweest bij een ongeval, waardoor hij whiplash-gerelateerde klachten heeft opgelopen. De verzekeraar, De Goudse, erkent haar aansprakelijkheid jegens eiser voor wat betreft de gevolgen die het ongeval met zich mee heeft gebracht. Voor het ongeval beschikte eiser over het diploma Milling Technologist en heeft hij het bedrijf van zijn vader overgenomen. Eiser vordert daarom nog een restantbedrag van De Goudse, inhoudende zowel de door hem geleden schade als het nadeel dat hij heeft geleden als gevolg van het verlies van zijn arbeidsvermogen. Door het ongeval heeft eiser namelijk niet de mogelijkheid gehad om het bedrijf van zijn vader verder uit te bouwen. In opdracht van de betrokken verzekeraar heeft een deskundige een bedrijfseconomisch onderzoek inzake de molen verricht. Daarin is geconcludeerd dat de financiële opbrengsten van de molen gering zijn en een beduidend lager inkomen opleveren dan het wettelijk minimumloon. Een tweede deskundige stelt dat de mogelijkheden van de onderneming om een bedrijfseconomisch resultaat te behalen dat structureel boven het bestaansminimum uitkomt, beperkt zijn. Een rendabele exploitatie van de molen, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, zal ook in de situatie zonder ongeval niet mogelijk zijn geweest.

Rechtsvraag

Is er in het onderhavige geval sprake van verlies of vermindering van arbeidsvermogen en komt dit in aanmerking voor vergoeding als zijnde een gevolg van het ongeval waar De Goudse voor aansprakelijk is?

Lagere rechters

Volgens de rechtbank zijn de inkomsten uit het bedrijf dusdanig laag dat er geen schade als gevolg van het verliezen van arbeidsvermogen vast komt te staan. Ook het hof wijst de vordering af en baseert dit oordeel op het feit dat eiser ter onderbouwing van zijn vordering enkel de salarissen van zijn mede-studiegenoten als uitgangspunt heeft genomen. Volgens het hof is dit onvoldoende om aan te nemen dat eiser zelf ook zo’n salaris zou verdienen of een vergelijkbare baan zou kunnen bemachtigen, mede gezien de persoonlijkheid van eiser zoals vastgesteld door een neuropsycholoog. Zowel de rechtbank in eerste aanleg als het hof in hoger beroep wijzen de vordering, inhoudende verlies van arbeidsvermogen als gevolg van het ongeval, dus af.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat het bestaan en de omvang van schade die door verlies of vermindering van arbeidsvermogen na een ongeval, vast dient te worden gesteld door het maken van een vergelijking tussen het inkomen van de benadeelde na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in een situatie zou hebben verworven als het ongeval zich nooit zou hebben voorgedaan. Aan hem mogen geen al te strenge eisen worden gesteld, ook al liggen de stelplicht en de bewijslast op de benadeelde. Het is namelijk de aansprakelijke die ervoor heeft gezorgd dat er geen zekerheid is over hetgeen er zich in de situatie zou hebben voorgedaan zonder dat het ongeval plaats had gevonden. Daarom komt het bij de beoordeling hiervan aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten is.
Omdat eiser voortdurend benadrukt heeft hoe belangrijk het bedrijf van zijn vader voor hem is, hoeft er nog geen gerede twijfel te bestaan over de vraag of eiser een soortgelijke baan zou kunnen verkrijgen als zijn studiegenoten indien het ongeval zich niet had voorgedaan. Hij zou

dan namelijk ook met zijn diploma werk kunnen zijn gaan zoeken, in plaats van zich enkel en alleen te storten op de overname van het bedrijf van zijn vader.

Om deze reden is het onjuist en onbegrijpelijk dat het hof tot afwijzing van de vordering inzake het verlies van arbeidsvermogen is gekomen. Daarom stuurt de Hoge Raad het geding terug naar het gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.