Privaatrecht – Eenzijdig wijzigen verworven rechten ECLI:NL:RBMNE:2021:5381

  • Datum: 3 november 2021

  • Rechtbankniveau: Rechtbank Midden-Nederland

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

In deze zaak is een werknemer twaalf jaar in ploegendienst bij een bedrijf. Hij ontvangt hiervoor een ploegentoeslag van 17%. De werkgever wil de ploegendienst afschaffen, volgens de werknemer kan dit niet aangezien hij een verworven recht hierop heeft. In de arbeidsovereenkomst is een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen.

Rechtsvraag

Valt het verrichten van werk in ploegendienst aan te merken als arbeidsvoorwaarde, en is de werkgever gerechtigd om een arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen?

Rechtbank

De rechtbank oordeelt dat er uit de arbeidsovereenkomst niet kan worden afgeleid dat er sprake was van een dergelijke arbeidsvoorwaarde. Partijen hebben hierover niets opgenomen. Slechts het basissalaris exclusief de ploegendiensttoeslag staat vermeld in de arbeidsovereenkomst. Volgens de rechtbank dient dan beoordeeld te worden of er sprake is van een verworven recht. Van belang hierbij is dat de werknemer voor het overgrote deel van zijn diensttijd in ploegendienst werkzaam is geweest.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de werknemer er gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij een recht had verworven om in ploegendiensten te werken. Als er in de arbeidsovereenkomst sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding dient er een belangenafweging te volgen. Het is slechts mogelijk om een arbeidsovereenkomst ten nadele van een werknemer eenzijdig te wijzigen indien er voldoende zwaarwegende belangen zijn die dit rechtvaardigen. Als argument voor het afschaffen van de ploegendienst voert de werkgever aan dat dit noodzakelijk was aangezien het bedrijf veel omzet verloor door Covid-19. De werknemer is gecompenseerd met een afbouwregeling. Volgens de rechtbank vormt dit een voldoende zwaarwegend belang om de arbeidsovereenkomst ten nadele van de werknemer te wijzigen.