Privaatrecht – Dimopoulos/ Van Mierlo ECLI:NL:HR:2005:AT5466

  • Datum: 24 juni 2005

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Tussen Dimopoulos en Van Mierlo heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot een bedrijfspand, waarin Dimopoulos een Grieks restaurant dreef. Van Mierlo wenste de overeenkomst te beëindigen omdat hij het pand wenste te slopen.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de huurovereenkomst zal eindigen op 1 juni 1992. Omdat Dimopoulos hier niet mee akkoord ging, heeft Van Mierlo Dimopoulos gedagvaard tot ontruiming. Hierna hebben partijen een overeenkomst van dading gesloten, waarin zij afspreken dat Dimopoulos het pand zal ontruimen en in de nieuwbouw wederom mag huren. Partijen hebben dan zes weken de tijd om een nieuwe huurovereenkomst te sluiten.

Van Mierlo heeft echter geen aanbod aan Dimopoulos gedaan om een nieuwe huurovereenkomst te sluiten, omdat hij de nieuwbouw niet heeft opgeleverd.
Dimopoulos stelt dat Van Mierlo in verzuim is en vordert een schadevergoeding en een dwangsom voor iedere maand dat Van Mierlo in gebreke blijft het pand op te leveren.
Gedurende de procedures is het pand opgeleverd, maar heeft het lang geduurd heeft voordat Dimopoulos over het restaurant kon beschikken.

Rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van Dimopoulos slechts kan worden toegewezen indien Van Mierlo in verzuim is, en dat een ingebrekestelling nodig is voor dit verzuim. De rechtbank oordeelde dat een in een eerder kort geding ingebrachte brief als ingebrekestelling gezien kon worden.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank niet de vrijheid had om zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden. Zij moest zich baseren die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Op deze manier wordt de wederpartij te kort gedaan in haar recht om zich daartegen te kunnen verdedigen. De Hoge Raad verwijst de zaak terug, zodat alsnog geoordeeld kan worden of de correspondentie in eerste aanleg voldoende bewijs kan leveren voor de stelling dat er sprake was van een ingebrekestelling.