Privaatrecht – Diefstal en groepsaansprakelijkheid ECLI:NL:HR:2015:2914

  • Datum: 2 oktober 2015

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:166 Bw

Casus

In deze casus ging het om een zestal personen, waarvan vijf strafrechtelijk veroordeeld waren voor het deelnemen aan een criminele organisatie, die als oogmerk het plegen van misdrijven had. Eén van de zes was echter vrijgesproken van de hem ten laste gelegde strafbare feiten. De rest van de personen behorend tot deze groep, hadden zich onder andere schuldig gemaakt aan diefstallen bij TVM c.s., een bedrijf van verzekeraars en vervoerders. TVM c.s. vordert daarom een vergoeding van de schade die zij geleden hebben als gevolg van de bij hen gepleegde ladingdiefstallen. TVM c.s. stelt zich hierbij op het standpunt dat er jegens hen in groepsverband onrechtmatig is gehandeld (art. 6:166 BW), omdat het hier ging om personen die allen tot een criminele organisatie toebehoorden.

Rechtsvraag

Wanneer is er sprake van onrechtmatig handelen in groepsverband, art. 6:166 BW?

Lagere rechters

De rechtbank in eerste aanleg heeft de vordering van TVM c.s. toegewezen voor wat betreft de personen die een strafrechtelijke veroordeling hebben gekregen. Op hen berust volgens de rechtbank hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW. De vordering tegenover de persoon die is vrijgesproken van de ladingdiefstallen wees de rechtbank af. Volgens het hof in hoger beroep is een bewezen deelname aan een criminele organisatie onvoldoende om zonder meer tot aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW te concluderen. Hiervoor is namelijk vereist dat de desbetreffende persoon een onrechtmatige bijdrage aan het schadeveroorzakende feit verweten kan worden. Aan de aansprakelijk te stellen personen zal daarom specifiek een verwijt moeten kunnen worden gemaakt van onrechtmatige betrokkenheid bij de misdrijven die plaats hebben gevonden bij TVM c.s.

Hoge Raad

In cassatie klaagt het middel dat het hof een te enge interpretatie heeft gegeven aan art. 6:166 BW. Volgens de Hoge Raad strekt art. 6:166 BW ertoe dat indien één van een tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt aan een derde en de kans op deze schade zodanig was dat dit de tot deze groep behorende personen had moeten weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn zodra deze gedragingen hen toegerekend kunnen worden. Gaat het om personen die niet rechtstreeks schade hebben toegebracht, dan kunnen zij op grond van art. 6:166 BW alsnog hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als aan de volgende vereisten voldaan is:

• Degene die wel de schade rechtstreeks heeft toegebracht heeft een onrechtmatige daad begaan;

• De kans op het intreden van de schade door zijn gedragingen moet zodanig zijn geweest dat de personen die tot de groep behoorden hem hiervan hadden moeten weerhouden;

• Een tot de groep behorende persoon kan alleen aansprakelijk zijn als hij schuld heeft.

Volgens de Hoge Raad is het niet van belang in welke mate de afzonderlijke personen betrokken zijn geweest bij het onrechtmatig handelen. De individuele aansprakelijkheid vindt in zulke gevallen haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans op schade en dat de rest van de groep de handelende persoon had moeten weerhouden van zijn gedragingen.