Privaatrecht – Baby Esther ECLI:NL:HR:2016:2987

  • Datum: 23 december 2016

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

In het voorjaar van 1996 wordt een tweeling veel te vroeg geboren in het Erasmusziekenhuis te Rotterdam. Binnen een week na de geboorte overlijdt één van de meisjes. Het andere meisje, Esther, moet in de eerste weken na de geboorte een buikoperatie ondergaan. Na de ingreep blijkt dat er sprake is van onvoldoende bloedcirculatie in het rechterbeen. Nadat er necrose optrad, is haar rechtervoet geamputeerd. Het ziekenhuis heeft de aansprakelijkheid hiervoor erkend en de afwikkeling hiervan hebben partijen onderling geregeld. Een paar maanden later vond er nog een controle door een oogarts plaats, met het oog op netvliesloslating. Dit onderzoek mislukte echter omdat de pupillen van Esther niet meer wijd waren. Enkele weken later vindt een tweede controle plaats, waarbij netvliesloslating wordt geconstateerd. Er volgt een spoedbehandeling de volgende dag, maar Esther wordt alsnog blind aan beide ogen. Esther en haar ouders spreken het ziekenhuis aan voor de schade als gevolg van haar blindheid. Volgens hen heeft Esther de kans op een beter behandelingsresultaat gemist doordat het oogheelkundig vervolgonderzoek en de behandeling niet eerder hebben plaatsgevonden.

Rechtsvraag

Is het Erasmusziekenhuis aansprakelijk voor de schade als gevolg van de netvliesloslating, ontstaan kort na de geboorte van Esther? Is een arts schadeplichtig als 1) hij conform de medische standaard te laat heeft gecontroleerd op een bepaalde aandoening, 2) de uiteindelijke behandeling niet later plaatsvond dan de medische standaard eiste, maar 3) deze specifieke arts bij een eerdere controle waarschijnlijk wel eerder behandeld zou hebben?

Lagere rechters

De rechtbank en het hof wijzen de vordering beide af. Zij overwegen daartoe o.a. dat er geen reële kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan. Esther en de ouders gaan in cassatie.

Hoge Raad

In casus gaat het om het leerstuk van kansschade bij medische aansprakelijkheid. De Hoge Raad stelt in haar arrest vast hoe, in geval van een medische fout, het beroep van een benadeelde op het verlies van een kans moet worden beoordeeld. Allereerst dient er te worden beoordeeld of is gehandeld in strijd met de norm van hetgeen een redelijk handelend en bekwaam beroepsgenoot betaamt. Indien wordt geoordeeld dat in strijd met deze norm is gehandeld, dient ter beoordeling van het causale verband tussen de normschending en de gestelde schade een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de normschending en de hypothetische situatie zoals die zou zijn geweest als de normschending zou zijn uitgebleven. Wat betreft de feitelijke situatie, gaat het om de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen. Wat betreft de hypothetische situatie, gaat het om de vaststelling van wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending. Bij de hypothetische situatie dient men dus niet te kijken naar de norm van een redelijk handelend en bekwaam beroepsgenoot, maar men moet uitgaan van de behandeling die feitelijk zou hebben plaatsgevonden. Waarbij echter wel het uitgangspunt moet zijn dat er geen normschending zou hebben plaatsgevonden.

Met andere woorden: het gaat er bij de vaststelling van de hypothetische situatie niet om wat een redelijk handelend en bekwaam arts had gedaan bij een eerdere controle, maar om wat deze arts, met bijzondere deskundigheid, had gedaan als hij de fout (te late controle) niet had gemaakt, ook als dat afwijkt van het reguliere beleid.