Bestuursrecht – Mondkapje OV-reizigers ECLI:NL:RBGEL:2020:3433

  • Datum: 14 juli 2020

  • Rechtbankniveau: Rechtbank

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: Art. 3.1, eerste lid, onder c Noodverordening

Casus

Verzoeker moet vanwege zijn werk dagelijks reizen met het openbaar vervoer. Op 4 juni 2020 heeft verzoeker een verzoek ingediend om vrijgesteld te worden van de verplichting tot het dragen van een niet-medisch mondkapje in het openbaar vervoer. Volgens verzoeker houdt artikel 2.6, eerste lid, een verbod in voor individuele reizigers om zonder niet- medisch mondkapje in het openbaar vervoer te reizen.

Rechtsvraag

Is verweerder bevoegd om de gevraagde vrijstelling te verlenen?

Rechtbank

Uit art. 3.1, eerste lid, onder c, van de Noodverordening volgt dat verweerder alleen vrijstelling kan verlenen van verboden op grond van de Noodverordening. Beoordeeld moet worden of de Noodverordening een verbod om zonder mondkapje met het openbaar vervoer te reizen bevat, zoals verzoeker betoogt. De rechtbank oordeelt dat omdat in de Noodverordening geen verbod voor de individuele reiziger is opgenomen om zonder mondkapje te reizen in het openbaar vervoer, de verweerder de bevoegdheid niet toekomt hiervoor een vrijstelling te verlenen.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat artikel 2.7, eerste lid, van de Noodverordening, gelet op de tekst en de toelichting daarop, enkel verplichtingen in het leven roept voor de vervoerder om ervoor te zorgen dat OV-reizigers een mondkapje dragen. Het is niet zo dat de noodverordening een verbod bevat voor de individuele reiziger om zonder mondkapje te dragen gebruik te maken van het openbaar vervoer.