Bestuursrecht – Koningin & Kabinet van de Koningin ECLI:NL:RVS:2007:BA6497

  • Datum: 6 juni 2007

  • Rechtbankniveau: ABRvS

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: Art. 1:1 Awb en art. 42 GW

Casus

De minister van algemene zaken kreeg een verzoek van de stichting ‘Nederlandse Programma Stichting’ (hierna: de NPS) om documenten openbaar te maken. Bij een besluit van 4 september 2003 heeft hij dit verzoek afgewezen voor zover het documenten betrof die bij het ministerie berusten en ook heeft hij geweigerd het verzoek door te zenden naar het Kabinet van de Koningin (hierna: het Kabinet) voor zover het documenten betreft die daar berusten.

NPS heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar dit bezwaar is op 31 maart 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak door de rechtbank Amsterdam is het door de NPS daartegen ingestelde beroep wel gegrond verklaard voor zover gericht tegen de weigering het verzoek door te zenden naar het Kabinet. De minister werd aldus opgedragen het verzoek alsnog door te sturen naar het Kabinet.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief van 29 november 2006, bij de Raad van
State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Rechtsvraag

Is er sprake van een bestuursorgaan bij het Kabinet dan wel of de minister had moeten doorzenden aan de koning zelf?

Uitspraak

De rechtbank heeft overwogen dat het Kabinet, gelet op de opgedragen taak, een orgaan is van de Staat der Nederlanden en mitsdien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 10 (lees: 1:1, eerste lid), aanhef en onder a, van de Awb. De afdeling is het hier niet mee eens. De afdeling stelt dat een bestuursorgaan (genoemd in art. 1:1 eerste lid, aanhef en onder a Awb) een orgaan van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon is indien daaraan een zelfstandige taak is opgedragen die onder eigen verantwoordelijkheid wordt uitgevoerd. Bij het kabinet is dit niet het geval. Uit art. 1 van het besluit volgt dat het Kabinet uitsluitend ondersteunende taken verricht ten dienste van de uitoefening van de constitutionele taken van de koning. Aan het kabinet zijn geen eigen zelfstandige taken opgedragen. Het opgedragen zijn van uitsluitend ondersteunende taken kan voorts niet worden aangemerkt als het bekleed zijn met openbaar gezag als bedoeld onder artikel 1:1 eerste lid, aanhef en onder b. Het Kabinet is derhalve, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb en evenmin als bedoeld in artikel 1a van de Wob. Derhalve bestond voor de minister geen verplichting het verzoek naar het Kabinet door te zenden.

Daarnaast kijkt de Afdeling of de minister het verzoek had moeten doorzenden aan de Koning zelf.
De vraag is dus of de koning een bestuursorgaan is. Naar de tekst van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, past de positie van de Koning in de omschrijving van het begrip bestuursorgaan; de Koning is voorts in het tweede lid van artikel 1:1 niet uitgezonderd. Het is een orgaan van de staat en dus ingesteld door een rechtspersoon krachtens publiekrecht.

Door o.a. art. 42 GW wordt aan de Koning een zelfstandige taak/functie toebedeelt.
Niettemin komt de Afdeling tot een andersluidend oordeel. Het begrip bestuursorgaan, omschreven en afgebakend in artikel 1:1 van de Awb, markeert het openbaar bestuur dat is onderworpen aan de regels van die wet. De Koning heeft constitutionele onschendbaarheid en hoeft daarom geen verantwoording af te leggen voor zijn functie. Het is om deze reden dus geen bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Awb.