Staatsrecht – Club actieve niet-rokers/de Staat (Rookverbod) ECLI:NL:HR:2014:2928

  • Datum: 10 oktober 2014

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Staatsrecht

  • Wetsartikelen: Art. 93 en 94 Gw

Casus

De Staat heeft in juli 2008 in het ‘Besluit uitvoering rookvrije werkplek, horeca en andere ruimten’ horeca-inrichtingen verplicht maatregelen te nemen zodat bezoekers en werknemers geen rookoverlast ondervinden. Per 6 juli 2011 is er een uitzondering op deze verplichting gemaakt voor kleine cafés zonder personeel. De Nederlandse Niet-rokersvereniging CAN is van mening dat deze versoepeling in strijd is met de WHO Framework Convention on Tobacco Control (WHO Kaderverdrag). CAN is een procedure gestart en heeft onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat de Staat onrechtmatig handelt jegens haar en de personen van wie zij de belangen behartigt. De gemaakte uitzondering zou in strijd zijn met art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag. Dit artikel bepaalt dat staten door middel van nationale wetgeving maatregelen moeten treffen om op bepaalde plaatsen een effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook te bewerkstelligen.

Rechtsvraag

Heeft het WHO Kaderverdrag (art. 8) rechtstreekse werking in de zin van art. 93 en 94 Gw?

Overweging

In de rechtszaak stelt de rechtbank CAN in het ongelijk. Het hof maakt dat vonnis in hoger beroep ongedaan. Het hof stelt namelijk vast dat artikel 8.2 in het FCTC-verdrag rechtstreekse werking heeft. Dat wil zeggen dat het artikel juridisch bindend is en dat de overheid het onverkort dient uit te voeren. Het feit dat de kleine cafés aanvankelijk wel onder het rookverbod vielen en later daar alsnog van zijn uitgezonderd, maakt volgens het hof dat de overheid zich ook niet kan beroepen op een overgangsmaatregel. De Hoge Raad bekrachtigt de uitspraak van het hof.

Rechtsregel

Bij de vraag of een verdrag rechtstreekse werking heeft, moet eerst worden gekeken naar de totstandkomingsgeschiedenis. Als hieruit niet volgt dat een bepaling rechtstreekse werking heeft, moet er gekeken worden naar de inhoud van de bepaling. Het gaat erom dat de bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven is om in de nationale rechtsorde te worden toegepast. De enkele omstandigheid dat de wetgever keuze- of beleidsvrijheid heeft bij het verwezenlijken van het resultaat, belet niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft. Of van rechtstreekse werking sprake is, hangt af van de vraag of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen als objectief recht kan functioneren. Het Kaderverdrag heeft in deze context rechtstreekse werking.