Publiekrecht – Vage klachten aanslagregelaar ECLI:NL:CRVB:2001:AB1847

  • Datum: 10 april 2004

  • Rechtbankniveau: Centrale Raad van Beroep

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Gedaagde was werkzaam als aanslagregelaar grote ondernemingen bij de Belastingdienst. De werkzaamheden bestonden uit zeer ingewikkelde fiscale problematiek. Door aangezichtspijnen veroorzaakt door ontstekingen in de kaakholte heeft gedaagde haar werk moeten staken. In 1992 is gedaagde meer dan een keer geopereerd door de kaakchirurg en daarna intensief met antibiotica behandeld. Zij heeft klachten gehouden van moeheid, aangezichtspijnen en concentratiestoornissen. Gedaagde is in april 1996 onderzocht door de verzekeringsarts P.C. Azimullah haar medische situatie niet stabiel achtte. In augustus 1996 heeft de verzekeringsarts Azimullah aan de psychiater M. Kazemier verzocht een expertise te doen. Psychiater Kazemier acht gedaagde vooralsnog niet geschikt om haar eigen werk te doen vanwege onder meer een dysthyme stoornis (lichte vorm van depressie). De verzekeringsarts Azimullah heeft hieruit de conclusie getrokken dat gedaagde niet langer door ziekte of gebrek niet in staat was om haar eigen werk volledig te doen. Dat heeft geleid tot het besluit van 15 oktober 1996 waarbij de uitkering van gedaagde die is toegekend op grond van de WAO wordt ingetrokken, omdat gedaagde niet aan een zodanige ziekte of gebrek lijdt dat zij haar eigen werkzaamheden niet zou kunnen doen, zodat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% is.

Rechtsvraag

Heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit vernietigd?

Lagere rechters

De rechtbank benoemt dr. A.P.K. van Eekeren als deskundige. Psychiater Van Eekeren acht de functionele beperkingen reëel en is van oordeel dat gedaagde op de datum in geding niet volledig geschikt was voor haar eigen werk vanwege beperkingen met betrekking tot inspanningsduur, nauwgezetheid, tijdsdruk, tempo en verantwoordelijkheid. De rechtbank volgt het oordeel van de deskundige vernietigt het bestreden besluit.

Centrale Raad van Beroep

Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat er slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de arbeid niet kan of mag verrichten. In bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan die eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad als eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Hieruit volgt dat voor het aannemen van een dergelijk bijzonder geval niet is vereist dat de genoemde medische deskundigen het eens zijn over de vraag aan welke ziekte of gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. De Raad kent in deze zaak doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de psychiater Kazemier en de deskundige Van Eekeren.

Beide deskundigen hebben hun oordeel dat gedaagde op de datum in geding vanwege ziekte of gebrek haar werk niet dan wel niet volledig kon doen gebaseerd op eigen onderzoek van gedaagde, de in het dossier aanwezige op gedaagde betrekking hebbende stukken, informatie van de behandelend sector en de anamnese van gedaagde. Gelet op de rapporten van de deskundigen is de Raad van oordeel dat gedaagde vanwege ziekte of gebrek haar gecompliceerde en verantwoordelijke functie ten minste niet volledig kan vervullen. De Raad overweegt dat het advies van genoemde deskundigen afdoende is geobjectiveerd. De CRvB bevestigt de uitspraak van de rechtbank.