Publiekrecht – Terugvorderingsregime toeslagen ECLI:NL:RVS:2019:3535

  • Datum: 23 oktober 2019

  • Rechtbankniveau: Centrale Raad van Beroep

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Appellante heeft in 2010 gebruik gemaakt van kinderopvang voor haar vijf kinderen via een gastouderbureau, hiervoor heeft zij een bedrag van € 34.566,00 aan voorschotten ontvangen.
Aan het besluit van 24 augustus 2011 tot nihilstelling heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft gereageerd op het herhaald verzoek om informatie over de opvangkosten. Appelante heeft in bezwaar gesteld dat zij van een minimuminkomen leeft, niet de financiële middelen heeft om het teruggevorderde bedrag te betalen en haar verzoek om de beslagvrije voet toe te passen op 17 maart 2016 door het Landelijke Incasso Centrum van de Belastingdienst is ingewilligd. Verder heeft zij in bezwaar gesteld dat het gastouderbureau de voorschotten op haar naam hebben aangevraagd en ontvangen via de bankrekening van het gastouderbureau. Bij het besluit van 24 maart 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvrager verantwoordelijk blijft voor de inhoud van de aanvraag, ongeacht wie de aanvraag invult en op welke bankrekening de toeslag is overgemaakt. Hij heeft erop gewezen dat het teruggevorderde bedrag op grond van artikel 26 van de Awir in zijn geheel verschuldigd is.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 september 2015 de bijstand van appellante met ingang van 23 september 2015 te beëindigen en bij besluit van 29 oktober 2015 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2013 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 augustus 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 38.086,78 van appellante terug te vorderen.

Rechtsvraag

Is appellante het gehele teruggevorderde bedrag verschuldigd?

Afdeling bestuursrechtspraak

Tot nu toe heeft de Afdeling bestuursrechtspraak altijd geoordeeld dat de wet eist dat de Belastingdienst/Toeslagen streng optreedt. Bijvoorbeeld als de ontvanger van een toeslag niet alle kosten voor de kinderopvang voor dat jaar heeft betaald. Dan verviel tot nu toe in beginsel het volledige recht op kinderopvangtoeslag en moest de ontvanger alle voorschotten terugbetalen. Ook moest de Belastingdienst/Toeslagen altijd het volledige bedrag terugvorderen, als er een te hoog voorschot was betaald. Daardoor kon hij geen rekening houden met bijzondere omstandigheden van het concrete geval. Daarom komt de Afdeling bestuursrechtspraak nu tot een minder strenge uitleg van de wet. De Belastingdienst/Toeslagen heeft voortaan ruimte om ook een recht op kinderopvangtoeslag te bepalen als de aanvrager niet alle kosten voor kinderopvang heeft betaald die hem voor dat jaar in rekening zijn gebracht. En de Belastingdienst/Toeslagen kan voortaan onder bijzondere omstandigheden helemaal of gedeeltelijk afzien van terugvordering. Deze wijzigingen brengen het belang van het voorkomen van fraude en de belangen van de burger meer met elkaar in evenwicht.