Publiekrecht – Onaangekondigd huisbezoek ECLI:NL:CRVB:2021:1213

  • Datum: 25 mei 2021

  • Rechtbankniveau: Centrale Raad van Beroep

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: Art. 8 EVRM

Casus

Betrokkene kreeg een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande op grond van de WWB. Op 11 januari 2006 leggen twee handhavingsmedewerkers van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam een onaangekondigd huisbezoek af bij het woonadres van betrokkene. Bij het huisbezoek treffen de handhavingsmedewerkers ongeveer 1,3 kilogram softdrugs aan. Hierdoor wordt de bijstand van betrokkene ingetrokken op grond dat betrokkene oncontroleerbare inkomsten geniet uit wiethandel. Volgens appellant moet worden aangenomen dat de tijdens het huisbezoek aangetroffen drugs waren bestemd voor de handel en dat betrokkene daaruit inkomsten verwierf. Door daarvan geen melding te maken heeft betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Rechtsvraag

Was het huisbezoek in overeenstemming met de waarborgen die verankerd liggen in art. 8 EVRM?

Lagere rechters

De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 2006 gegrond. Volgens de rechtbank bestond er geen bijzondere aanleiding om bij betrokkene een huisbezoek af te leggen. Het willekeurig inzetten van het middel huisbezoek is een onaanvaardbare inbreuk op het verdrags- en grondwettelijk gewaarborgde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De resultaten van het huisbezoek moeten buiten beschouwing blijven.

Centrale Raad van Beroep

Van een inbreuk op het huisrecht is sprake wanneer wordt binnengetreden tegen de wil van de rechthebbende. Indien de rechthebbende toestemming verleent, is er geen sprake van een inbreuk. De toestemming moet vrijwillig worden verleend, waarbij er sprake moet zijn van een informed consent. Dit houdt in dat de belanghebbende de volledige en juiste informatie heeft gekregen over de reden en het doel van het huisbezoek. Indien er voorafgaand aan het huisbezoek geen twijfel is over de juistheid van de gegevens van betrokkene waarop de bijstand is gebaseerd, moet hem duidelijk gemaakt worden dat het niet geven van toestemming geen directe consequenties oplevert voor de verlening van de bijstand. Voorafgaand aan het bij betrokkene afgelegde huisbezoek waren er geen concrete objectieve feiten en omstandigheden bekend op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de gegevens van betrokkene, die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. De Raad komt tot het oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat ter zake van het binnentreden voor het bij betrokkene verrichte huisbezoek voldaan is aan de eis van een informed consent. Dit betekent dat er in het geval van betrokkene sprake is geweest van een inbreuk op zijn huisrecht als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM.