Publiekrecht – Gezamenlijke huishouding, terugvordering en boete ECLI:NL:CRVB:2018:3172

  • Datum: 16 oktober 2018

  • Rechtbankniveau: Centrale Raad van Beroep

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Appellante ontving sinds 16 juli 2010 bijstand, op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante stond met haar dochter in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante met B samenwoont, hebben twee medewerkers van het fraudeteam van de gemeente Rhenen een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek verricht, informatie ingewonnen bij diverse instanties en bij de gemeente Velsen en vijf buurtbewoners in de omgeving van het uitkeringsadres als getuigen gehoord. Verder hebben de medewerkers op 23 september 2015 op het uitkeringsadres een onaangekondigd huisbezoek afgelegd en aansluitend daarop een gesprek met appellante gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 september 2015.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 september 2015 de bijstand van appellante met ingang van 23 september 2015 te beëindigen en bij besluit van 29 oktober 2015 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2013 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2013 tot en met 10 augustus 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 38.086,78 van appellante terug te vorderen.

Rechtsvraag

Heeft appellante in de periode van 1 januari 2013 tot en met 5 augustus 2015 een gezamenlijke huishouding met B gevoerd?

Lagere rechters

Bij besluit van 6 januari 2016 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 23 september 2015 en 29 oktober 2015 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 heeft het college heeft ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding te maken bij het college, een gezamenlijke huishouding met B heeft gevoerd. Bij besluit van 1 december 2015 heeft het college aan appellante een boete van € 8.100,- opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. Bij besluit van 6 april 2016 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2015 gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft en de boete nader vastgesteld op een bedrag van € 1.720,-. Daarbij heeft het college rekening gehouden met de beperkte draagkracht van appellante en is het college voor de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van grove schuld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

Centrale Raad van Beroep

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

• Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan om een gezamenlijke huishouding van twee personen te kunnen vaststellen is dat zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning;

• Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan om een gezamenlijke huishouding van twee personen te kunnen vaststellen is de wederzijdse zorg.

Uit het feit dat meerdere buurtbewoners hebben verklaard dat zij B vaak zien en dat het gezin, waarvan B deel uitmaakt, al drie jaar op het uitkeringsadres woont, volgt nog niet dat B al vanaf 1 januari 2013 daar zijn hoofdverblijf had. Uit de bewijsstukken volgt niet dat B vanaf 1 januari 2013 zijn verblijf had op het uitkeringsadres. Dit is pas zeker vanaf 1 november 2013. Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante en B in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2013 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Hieruit volgt dat het college de bijstand van appellante over die periode ten onrechte heeft ingetrokken. Uit die overwegingen volgt voorts dat het college zich wel terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en B in de periode van 1 november 2013 tot en met 5 augustus 2015 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.