Publiekrecht – Gäfgen t. Duitsland 22978/052008

  • Datum: 1 juni 2020

  • Rechtbankniveau: EHRM

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: Art. 3 EVRM

Feiten

Gäfgen heeft een elfjarige jongen ontvoerd en vermoord. Hij vraagt de ouders van de jongen om losgeld en wanneer hij dit geld komt ophalen, wordt hij aangehouden door de politie. Gedurende zijn politieverhoor zijn de politieagenten nog onder de overtuiging dat de elfjarige jongen in leven is. Gäfgen wordt door de politieambtenaren bedreigt met marteling, indien hij niet aangeeft waar de elfjarige jongen is.
Door deze bedreiging verklaart Gäfgen bereid te zijn mee te willen werken en wijst hij de plek aan waar het kind is verstopt. Ook wijst hij fysieke bewijsmiddelen aan die hij heeft gebruikt om de misdrijf te begaan.

De nationale rechter sluit de verklaring van Gäfgen echter uit tijdens het strafproces, omdat deze verklaring was verkregen onder dwang en dit in strijd is met art. 3 EVRM. De fysieke bewijsmiddelen worden niet uitgesloten, in hoger beroep wordt hij wel voor alsnog veroordeeld omdat hij ook daar een verklaring gaf.

Rechtsvraag

Hoe verhoudt het recht van leven zich tot het folterverbod van art. 3 EVRM?

Oordeel

Het verbod op foltering is absoluut en prevaleert boven het recht op leven van art 2 EVRM. Zowel het dreigen als geweld als het werkelijk gebruiken van geweld zijn verboden bij een verhoor. Ook al werd de bedreiging ingezet om een leven te redden, dit is nog steeds een onmenselijke behandeling en verboden.