Publiekrecht – Eweida e.a. T. VK nrs 48420/10, 59842/10, 51671/10 en 36516/10

  • Datum: 27 mei 2013

  • Rechtbankniveau: EHRM

  • Rechtsgebied: Publiekrecht

  • Wetsartikelen: /

Feiten

In dit samengevoegde arrest dat bestaat uit vier soortgelijke zaken, raken vier Britten hun baan kwijt als gevolg van een conflict of onenigheid met hun werkgever vanwege het uiten van hun religie en levensovertuigingen op de werkvloer. Alle vier de Britten hangen het Christendom aan. In twee van de zaken gaat het om een conflict over de toelaatbaarheid van het dragen van een ketting met een kruissymbool tijdens het werk. In het derde geval ging het om de weigering om een homoseksueel koppel als partner te registreren wegens de levensovertuiging van de werknemer. In het laatste geval gaat het om een werknemer die weigert om koppels van een gelijk geslacht een psychoseksuele therapie te geven.

Rechtsvraag

In hoeverre vallen de handelingen binnen de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst, en hebben de werkgevers hier een onaanvaardbare inbreuk op gemaakt?

Oordeel

Het uiten van religieuze of levensbeschouwelijke opvattingen valt onder de vrijheid van godsdienst en de mogelijkheid tot uiting hiertoe weegt zwaar. De vraag of er een ongeoorloofde inbreuk op de godsdienstvrijheid is gemaakt hangt af van de vraag of de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving. Hoewel de vrijheid zwaar weegt, kennen nationale autoriteiten een ruime beoordelingsvrijheid. In gevallen van horizontale werking van grondrechten kan het zo zijn dat er weliswaar geen wetgeving bestaat die ontoelaatbare inbreuken op de godsdienstvrijheid verbiedt, maar dit zal niet hoeven te betekenen dat er onvoldoende bescherming wordt geboden. Het feit dat een dergelijke inbreuk bij de rechter kan worden voorgelegd, kan ook een bepaalde mate van bescherming met zich meebrengen.