Privaatrecht – Winters/ Kantoor van de Toekomst ECLI:NL:HR: 1998:ZC2571

  • Datum: 6 februari 1998

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 3:290 BW

Casus

Aannemer Winters weigert een kantorencomplex op te leveren, zolang de aanneemsom niet is betaald. In verband hiermee weigert Winters toegang te verlenen aan Kantoor van de Toekomst, een huurder die al enige tijd bezig was met het afbouwen van het door haar gehuurde kantoor in het complex.
De aanbesteder gaat vervolgens failliet, waarna het complex wordt overgedragen aan een derde en Kantoor van de Toekomst toegang krijgt tot het complex op 30 augustus 1993. In een kort geding is Winters veroordeeld tot het verlenen van toegang aan een andere huurder.

Rechtsvraag

De vraag is of Winters in deze casus gebruik mag maken van zijn retentierecht.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad kan het retentierecht worden ingeroepen tegen persoonlijk gerechtigden. Daarbij geldt dat een schuldeiser die in staat wenst te blijven zijn retentierecht op het door hem gebouwde ook tegen derden in te roepen, ervoor zorg dient te dragen dat hij op voor die derden voldoende duidelijke wijze de macht over het door hem vervaardigde gebouw blijft uitoefenen.

Laat hij werklieden in het gebouw toe om daarin, in opdracht van de schuldenaar of van iemand die aan een overeenkomst met de schuldenaar het recht ontleent om het gebouwde in gebruik te nemen, werkzaamheden te verrichten ter voorbereiding van gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van het gebouw, dan is het gevaar geenszins denkbeeldig dat voor de hierboven bedoelde derden niet meer voldoende duidelijk zal zijn dat het gebouwde zich nog in de macht van de aannemer bevindt.