Privaatrecht – W. c.s./Sanofi Pasteur MSD SNC ECLI:EU:C:2017:484

  • Datum: 21 juni 2017

  • Rechtbankniveau: HvJ EU

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

W. is fysiotherapeut van beroep. Op 26 december 1998, 29 januari 1999 en 8 juli 1999 kreeg hij een vaccin tegen hepatitis B toegediend. Dit vaccin was geproduceerd door Sanofi Pasteur. Vanaf augustus 1999 kreeg W. te maken met verschillende aandoeningen, waarna in november 2000 MS bij hem werd geconstateerd. Op 30 oktober 2011 is hij overleden. In 2006 stelde W. samen met zijn vrouw en dochters, een vordering tot schadevergoeding in jegens Sanofi Pasteur op grond van de Franse bepalingen ter implementatie van de Richtlijn Productaansprakelijkheid. W. betoogde dat de MS het gevolg was van de vaccins en deed een beroep op art. 1353 CC (oud), op grond waarvan de rechter kan oordelen dat bepaalde feiten of omstandigheden de basis kunnen vormen voor ‘ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens’. Zo’n vermoeden zou blijkens de Franse jurisprudentie kunnen worden gestoeld op het geringe tijdsverloop tussen het toedienen van het vaccin en het optreden van de ziekte alsmede het ontbreken van familiale of persoonlijke antecedenten van de patiënt voor de ziekte in kwestie. Hierdoor kan zowel het gebrek, als het causale verband tussen dit gebrek en de ziekte in kwestie worden bewezen. Ook wanneer zo’n verband niet door medisch onderzoek wordt bevestigd.

Rechtsvraag

Is Sanofi Pasteur aansprakelijk voor de schade die W. en zijn familie heeft geleden?

Lagere rechters

De rechter in eerste aanleg wees de vordering van W. toe. In appel wees de Cour d’appel de vordering echter af. Het Cour d’appel nam wel causaliteit, maar geen gebrek aan op grond van een algemene risk/benefit-analyse. De Cour de Cassation vernietigde dit oordeel, omdat het hof had moeten onderzoeken of de concrete omstandigheden van dit geval reden waren voor een feitelijk vermoeden. De zaak ging weer terug naar het hof en deze wees de vordering opnieuw af. Hierna volgt een tweede cassatieprocedure, waarbij de Cour de Cassation drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie stelt. Het hoogste Franse college wilde weten in hoeverre een rechterlijk bewijsvermoeden, dat de gelaedeerde tegemoet komt in het bewijs van zowel gebrek als causaal verband, onder de Richtlijn is toegestaan.

Hof van Justitie van de Europese Unie

Het Hof wijst er allereerst op dat de consument op grond van art. 4 van de Richtlijn de schade, het gebrek en het causaal verband tussen de schade en het gebrek moet bewijzen. De nationale rechterlijke instanties dienen ervoor te zorgen dat de wijze waarop zij die nationale bewijsregeling toepassen, niet tot gevolg heeft dat de in art. 4 Richtlijn neergelegde regels inzake de bewijslast worden geschonden of dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van dit artikel. Zij moeten nagaan of de verstrekte aanwijzingen inderdaad zo ernstig, precies en met elkaar overeenstemmend zijn dat zij de gevolgtrekking wettigen dat de gebrekkigheid van het product de meest aannemelijke verklaring is voor het optreden van de schade.

Daarnaast dienen zij ervoor te zorgen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel dat het aan de gelaedeerde is om aan de hand van alle door het nationale recht aanvaarde bewijsmiddelen, het bestaan van een gebrek en het causale verband te bewijzen.
In casu lijken de gegevens die aangevoerd zijn, te wijzen op het feit dat gelaedeerde aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Ook onzekere risico’s kunnen hiermee aanspraak geven op compensatie.

Gebrek en causaal verband kunnen ook aannemelijk zijn in gevallen waarin het bestaan van een verband tussen de toediening van het vaccin en het optreden van de ziekte door medisch onderzoek wordt bevestigd noch ontkend.

Het Hof staat hiermee een rechterlijk bewijsvermoeden toe dat de gelaedeerde tegemoet komt in het bewijs van zowel gebrek als causaal verband onder de Richtlijn Productaansprakelijkheid.