Privaatrecht – Verzekering prostituees ECLI:NL:CRVB:2006:AV1414

  • Datum: 5 januari 2006

  • Rechtbankniveau: Centrale Raad van Beroep

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Na onderzoek van de belastingdienst is geconstateerd dat in verhuurde kamers van appellant bedrijfsmatig diensten worden verleend door prostituees. Het UWV heeft hierdoor verplichte verzekering uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van de prostituees aangenomen op grond van de artikelen 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het UWV legt hieraan ten grondslag dat appellant als eigenaar van een seksinrichting een geheel van omstandigheden creëert waarbinnen de prostituees de klanten ontvangen. Volgens het UWV is er een organisatorisch kader met werkplanning en arbeidsvoorwaarden waarbinnen de prostituees de werkzaamheden kunnen verrichten en maken die werkzaamheden een essentieel onderdeel uit van de bedrijfsvoering. Volgens het UWV is het onaannemelijk dat in deze situatie gezag heeft ontbroken.

Rechtsvraag

Is er sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en derhalve ook een verzekeringsplicht van rechtswege?

Lagere rechters

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en de prostituees. De rechtbank acht een gezagsverhouding tussen hen gegeven, gezien de aard en omvang van de aanwijzingen door appellant aan betrokkenen. De aanwijzingen zijn niet louter zijn aan te merken als ordemaatregelen. Daarnaast is volgens de rechtbank sprake van reële loonbetaling. Tevens worden betrokkenen volgens de rechtbank niet zomaar vervangen door wie dan ook. Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat appellant zich presenteert als exploitant van verschillende privéhuizen. Daarbij komt dat de prostituees gebruik maken van verschillende kamers in het pand en faciliteiten ter beschikking gesteld krijgen zoals linnengoed en andere artikelen. Bovendien is de huurprijs voor een deel gerelateerd aan de vergoeding die de prostituee voor haar diensten ontvangt. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Centrale Raad van Beroep

De Raad oordeelt dat er sprake is van een geordende geïntegreerde organisatie tussen appellant en de betrokken prostituees. Er bestaat een algemene omgangs- en huisregels in de bordelen van appellant. Daarnaast is er sprake van screening op nationaliteit, leeftijd, gezondheid etc. Appellant vervult hierin als overkoepelend beheerder een overheersende rol naar de betrokken toe en bezit als enige de mogelijkheid tot bijsturing, controle en toezicht zoals een reguliere werkgever. Ondanks vrijheid binnenskamers stellen de prostituees zich onderhevig aan de algemene regulering en het toezicht op de wijze van uitvoering.
De Raad oordeelt dat er sprake is van het bestaan van een gezagsrelatie tussen appellant en betrokkenen in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Tevens oordeelt de Raad dat er sprake is van een verplichte persoonlijke arbeidsverrichting door betrokkenen in de zin van dezelfde regeling. Willekeurige vervanging van een van betrokkenen zonder enige invloed van appellant en beheerder is namelijk ondenkbaar. De betalingen kunnen ook gezien worden als loon, door er sprake is van een directe beloning als tegenprestatie voor verrichte arbeid. Deze betaling zou niet gerealiseerd worden zonder het organisatorisch kader en de beschikbaar gestelde voorzieningen. De aparte weg waarlangs het betalingsverkeer tussen participanten verloopt, doet aan het karakter van die betalingen volgens de Raad geen afbreuk. Er is aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking voldaan en er bestaat een verzekeringsplicht van rechtswege.